wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

De slimste leerling Nederlands - juni

Total questions: 94

Worksheet time: 58mins

Name
Class
Date
1.

Vink de zinnen aan die een imperatief bevatten.

a)

Vader, neem uw boterhammen mee!

b)

Maak vervolgens een lus met het linkse touwtje.

c)

Je moet luisteren naar wat de leerkracht zegt.

d)

Open je oren en houd je mond.

e)

Dan verbied je je zus om op de computer te spelen.

2.

Vul in onderstaande instructie de correcte imperatiefvorm van het werkwoord tussen haakjes in.


(zetten) elke dag 10.000 stappen.

(a)  

3.

Vul in onderstaande instructie de correcte imperatiefvorm van het werkwoord tussen haakjes in.


(verbinden) je aan een toffe sportvereniging.

(a)  

4.

Vul in onderstaande instructie de correcte imperatiefvorm van het werkwoord tussen haakjes in.


(onderbreek) lange zittijden om het halfuur.

(a)  

5.

Vul in onderstaande instructie de correcte imperatiefvorm van het werkwoord tussen haakjes in.


(houden) overleg bij groepswerk al staande.

(a)  

6.

Vul in onderstaande instructie de correcte imperatiefvorm van het werkwoord tussen haakjes in.


(vermijden) roltrappen en liften.

(a)  

7.

Vul in onderstaande instructie de correcte imperatiefvorm van het werkwoord tussen haakjes in.


(navragen) of een zitbal de klasstoel kan vervangen.

(a)  

8.

Vul in onderstaande instructie de correcte imperatiefvorm van het werkwoord tussen haakjes in.


(navragen) of een zitbal de klasstoel kan vervangen.

(a)  

9.

De imperatief vind je onder andere terug in recepten, gebruiksaanwijzigingen en bijsluiters van medicijnen.

a)

juist

b)

fout

10.

Je vraagt hulp aan de nieuwe bibliothecaresse in je zoektocht naar een goed jeugdboek.

a)

formeel

b)

informeel

11.

Je overlegt met teamgenoten hoe de tweede helft van jullie wedstrijd moet verlopen om nog te kunnen winnen.

a)

formeel

b)

informeel

12.

De politie staat aan de deur. Ze hebben je gestolen fiets teruggevonden in de rivier.

a)

formeel

b)

informeel

13.

Je stuurt een berichtje naar een vriend/vriendin om te vragen hoe zijn/haar date ging.

a)

formeel

b)

informeel

14.

Moet je deze zin letterlijk of figuurlijk opvatten?

De tandarts voelde aan Stefs tand.

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

15.

Moet je deze zin letterlijk of figuurlijk opvatten?

Algemene bouwwerken De Block: wij bouwen aan uw toekomst!

a)

letterlijk

b)

figuurlijk

16.

Welke zin is een vergelijking?

a)

De tandarts voelde aan Stefs tand.

b)

Algemene bouwwerken De Block: wij bouwen aan uw toekomst!

c)

Die verkoper is zo sluw als een vos.

d)

Hij begeeft zich in een wespennest.

e)

Tijdens de gure winter liet men de daklozen in de kou staan.

17.

Welke zin is een metafoor?

a)

De tandarts voelde aan Stefs tand.

b)

Algemene bouwwerken De Block: wij bouwen aan uw toekomst!

c)

Die verkoper is zo sluw als een vos.

d)

Hij begeeft zich in een wespennest.

e)

Tijdens de gure winter liet men de daklozen in de kou staan.

18.

Welke vorm heeft het werkwoord?


Een paar weken geleden ontdekte ik iets verschrikkelijks. Mijn vriend had een geheim doorverteld. Ik heb me nog nooit zo belachelijk gevoeld. Laat mij nu maar alleen.

a)

PV in TT

b)

PV in VT

c)

INF

d)

VD

e)

IMP

19.

Welke vorm heeft het werkwoord?


Een paar weken geleden ontdekte ik iets verschrikkelijks. Mijn vriend had een geheim doorverteld. Ik heb me nog nooit zo belachelijk gevoeld. Laat mij nu maar alleen.

a)

PV in TT

b)

PV in VT

c)

INF

d)

VD

e)

IMP

20.

Welke vorm heeft het werkwoord?


Een paar weken geleden ontdekte ik iets verschrikkelijks. Mijn vriend had een geheim doorverteld. Ik heb me nog nooit zo belachelijk gevoeld. Laat mij nu maar alleen.

a)

PV in TT

b)

PV in VT

c)

INF

d)

VD

e)

IMP

21.

Welke vorm heeft het werkwoord?


Een paar weken geleden ontdekte ik iets verschrikkelijks. Mijn vriend had een geheim doorverteld. Ik heb me nog nooit zo belachelijk gevoeld. Laat mij nu maar alleen.

a)

PV in TT

b)

PV in VT

c)

INF

d)

VD

e)

IMP

22.

Welke vorm heeft het werkwoord?


Een paar weken geleden ontdekte ik iets verschrikkelijks. Mijn vriend had een geheim doorverteld. Ik heb me nog nooit zo belachelijk gevoeld. Laat mij nu maar alleen.

a)

PV in TT

b)

PV in VT

c)

INF

d)

VD

e)

IMP

23.

Welke vorm heeft het werkwoord?


Een paar weken geleden ontdekte ik iets verschrikkelijks. Mijn vriend had een geheim doorverteld. Ik heb me nog nooit zo belachelijk gevoeld. Laat mij nu maar alleen.

a)

PV in TT

b)

PV in VT

c)

INF

d)

VD

e)

IMP

24.

Geef het voltooid deelwoord van de onregelmatige werkwoorden.


Yo DB,

Man man, wat een dagje heb ik vandaag (beleven).

(a)  

25.

Geef het voltooid deelwoord van de onregelmatige werkwoorden.


Vanmorgen ben ik wakker (worden) en lag ik naast mijn bed.

(a)  

26.

Geef het voltooid deelwoord van de onregelmatige werkwoorden.


Ik moet in mijn slaap enorm veel (bewegen) hebben.

(a)  

27.

Geef het voltooid deelwoord van de onregelmatige werkwoorden.


Gelukkig ben ik door de val niet wakker geworden, want anders zou ik nog veel te moe (zijn) zijn.

(a)  

28.

Geef het voltooid deelwoord van de onregelmatige werkwoorden.


Ik had afgesproken met Corneel en Luan. We hebben in zee (zwemmen).

(a)  

29.

Geef het voltooid deelwoord van de onregelmatige werkwoorden.


Door te panikeren heeft hij zijn zonnebril (verliezen) ,

maar ja, wie duikt er nu ook de zee in met een bril op z’n neus?!

(a)  

30.

Geef het voltooid deelwoord van de onregelmatige werkwoorden.


We hebben enorm hard (lachen) toen er een stuk hout op het water dreef en Luan keihard schreeuwde, omdat hij dacht dat het een raar beest was.

(a)  

31.

Geef het voltooid deelwoord van de onregelmatige werkwoorden.


Hij zal wel weer (denken) hebben dat dat lekker stoer was :-/

(a)  

32.

Geef het voltooid deelwoord van de onregelmatige werkwoorden.


Onderweg heb ik een aantal superknappe meisjes (zien).

(a)  

33.

Geef het voltooid deelwoord van de onregelmatige werkwoorden.


Na ons zwempartijtje ben ik van Oostende naar Bredene (lopen).

(a)  

34.

Geef het voltooid deelwoord van de onregelmatige werkwoorden.


Ik heb met enkele een praatje gemaakt en geloof het of niet … ik heb van eentje haar gsm-nummer (krijgen)!

(a)  

35.

Geef het voltooid deelwoord van de onregelmatige werkwoorden.


Op het internet las ik dat het niet cool is om haar meteen te sms’en, maar nu heb ik het toch (hebben) met al dat wachten.

Ik stuur haar nu een sms. :)

(a)  

36.

Is de zin een feit of een mening?


In mijn klas is er een rustige sfeer.

a)

feit

b)

mening

37.

Is de zin een feit of een mening?


Een schooldag begint veel te vroeg.

a)

feit

b)

mening

38.

Is de zin een feit of een mening?


Leerlingen die te laat komen, moeten op sommige scholen hun agenda tonen.

a)

feit

b)

mening

39.

Is de zin een feit of een mening?


Op onze school kan je tijdens de middagpauze sporten.

a)

feit

b)

mening

40.

Is de zin een feit of een mening?


Onze leerkrachten zijn allemaal grappig.

a)

feit

b)

mening

41.

Is de zin een feit of een mening?


Studeren gaat het best als je alleen zit.

a)

feit

b)

mening

42.

Is de zin een feit of een mening?


Twee uur L.O. per week is te weinig voor leerlingen van onze leeftijd.

a)

feit

b)

mening

43.

Lees de zinnen aandachtig en duid aan wat past.


De sportdag is het hoogtepunt van het schooljaar.

a)

feit

b)

mening

c)

objectief

d)

subjectief

44.

Lees de zinnen aandachtig en duid aan wat past.


Zelfs kinderen die doorgaans niet graag sporten, zullen zich op deze dag amuseren!

a)

feit

b)

mening

c)

objectief

d)

subjectief

45.

Lees de zinnen aandachtig en duid aan wat past.


In het provinciaal domein Puyenbroeck kan je leerkracht L.O. een sportdag aanvragen.

a)

feit

b)

mening

c)

objectief

d)

subjectief

46.

Lees de zinnen aandachtig en duid aan wat past.


Klassen kunnen er bv. het hoogtouwenparcours afleggen.

a)

feit

b)

mening

c)

objectief

d)

subjectief

47.

Lees de zinnen aandachtig en duid aan wat past.


Voor leerlingen met hoogtevrees is dat geen gemakkelijke activiteit.

a)

feit

b)

mening

c)

objectief

d)

subjectief

48.

Lees de zinnen aandachtig en duid aan wat past.


Gelukkig zijn de monitoren gewend om deze leerlingen extra goed te begeleiden.

a)

feit

b)

mening

c)

objectief

d)

subjectief

49.

Lees de zinnen aandachtig en duid aan wat past.


Elke deelnemer wordt ook stevig vastgemaakt met de Smart Belaybeveiliging.

a)

feit

b)

mening

c)

objectief

d)

subjectief

50.

Lees de zinnen aandachtig en duid aan wat past.


Als je je angst een keer hebt overwonnen, voel je sowieso meer zelfvertrouwen.

a)

feit

b)

mening

c)

objectief

d)

subjectief

51.

Lees de zinnen aandachtig en duid aan wat past.


Ook op reis is een hoogteparcours een aanrader!

a)

feit

b)

mening

c)

objectief

d)

subjectief

52.

Lees de zinnen aandachtig en duid aan wat past.


Hoe hoger je bent, hoe beter je het landschap ziet.

a)

feit

b)

mening

c)

objectief

d)

subjectief

53.

Een instructie. Fictie of non-fictie

a)

fictie

b)

non-fictie

54.

Boek van Carry Slee. Fictie of non-fictie?

a)

Fictie

b)

Non-fictie

55.

Sprookje. Fictie of non-fictie?

a)

Fictie

b)

Non-fictie

56.

Nieuwsbericht. Fictie of non-fictie?

a)

Fictie

b)

Non-fictie

57.

Handleiding voor het installeren van een printer

a)

Fictie

b)

Non-fictie

58.
a)

Fictie

b)

Non-fictie

59.

Website over reizen

a)

Fictie

b)

Non-fictie

60.

Hoeveel persoonsvormen heeft de volgende zin? De leerlingen uit A3C moeten morgenochtend nakomen, omdat ze zich gisteren niet gemeld hebben bij de conciërge.

a)

3; moeten, nakomen, hebben

b)

2; moeten, hebben

c)

1; moeten

d)

4; moeten, nakomen, gemeld, hebben

61.

Een zin met meerdere persoonsvormen noem je ook wel een:

a)

enkelvoudige zin

b)

ingewikkelde zin

c)

samengestelde zin

d)

hoofdzin

62.

Is de volgende zin een enkelvoudige of samengestelde zin? De GGD heeft het contactonderzoek op onze school goed uitgevoerd.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin

c)

geen van beide

63.

Is de volgende zin een enkelvoudige of samengestelde zin? Studerende en werkende jongeren gaan steeds later het huis uit, omdat ze een eigen appartement of huis niet kunnen betalen.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin

64.

Hoeveel persoonsvormen heeft deze zin? Studerende en werkende jongeren gaan steeds later het huis uit, omdat ze een eigen appartement of huis niet kunnen betalen.

a)

1; gaan

b)

2; gaan, betalen

c)

2; gaan, kunnen

d)

3; gaan, kunnen, betalen

65.

Geef aan of de zin enkelvoudig of samengesteld is. Volgens sommige theorieën is de oudste van het gezin de slimste, maar dat is achterhaald.

a)

enkelvoudig

b)

samengesteld

66.

Geef aan of de zin enkelvoudig of samengesteld is. Soms komt een deel van de opvoeding neer op de oudste van het gezin.

a)

enkelvoudige zin

b)

samengestelde zin

67.

Wat zijn voegwoorden?

a)

Dat zijn woorden waarmee je zinnen aan elkaar voegt.

b)

Voegwoorden zijn woorden die een zin vragend maken.

68.

Wat is het voegwoord?


Wanneer ik Femke zie, zal ik het haar vragen.

a)

wanneer

b)

zal

c)

zie

69.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Wij repareren uw fiets .... u boodschappen doet!

a)

intussen

b)

terwijl

c)

want

70.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Kampioen zullen zij niet worden, … er een wonder gebeurt.

a)

tenzij

b)

indien

c)

doordat

71.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in.

Vul de verleden tijd in waar het kan.


Zou jij hem ertoe in staat (achten)?

(a)  

72.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in.

Vul de verleden tijd in waar het kan.

Sergio Herman (bereiden) een heerlijk gerechtje.

(a)  

73.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in.

Vul de verleden tijd in waar het kan.

(onderhouden) je pa vroeger zelf de tuin?

(a)  

74.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in.

Vul de verleden tijd in waar het kan.

Mijn ouders (opvoeden) ons streng.

(a)  

75.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in.

Vul de verleden tijd in waar het kan.

Ik (haasten) me naar huis, want het sneeuwde.

(a)  

76.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in.

Vul de verleden tijd in waar het kan.

De directeur hoopt dat hij snel (betalen).

(a)  

77.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in.

Vul de verleden tijd in waar het kan.

Hoeveel zou die ring (kosten)?

(a)  

78.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in.

Vul de verleden tijd in waar het kan.

Zus heeft een prima resultaat (behalen).

(a)  

79.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in.

Vul de verleden tijd in waar het kan.

Ik vind dat je hem op die manier (beledigen).

(a)  

80.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in.

Vul de verleden tijd in waar het kan.

(smeden) het ijzer terwijl het heet is!

(a)  

81.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in.

Vul de verleden tijd in waar het kan.

Die (verlichten) straten zagen er sprookjesachtig uit.

(a)  

82.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in.

Vul de verleden tijd in waar het kan.

Je moet doen wat je (beloven).

(a)  

83.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in.

Vul de verleden tijd in waar het kan.

Het euvel was vlug (herstellen).

(a)  

84.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in.

Vul de verleden tijd in waar het kan.

Als hij nu scoort, (worden) hij een rijk man!

(a)  

85.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in.

Vul de verleden tijd in waar het kan.

(hoesten) kwam zij binnen bij de dokter.

(a)  

86.

Is het voornaamwoord een persoonlijk of een bezittelijk voornaamwoord?


Als je daar in de regen achter een bal loopt, dan denk je wel eens aan je warme zetel. Je zou ook voor een andere hobby kunnen kiezen, maar nee, al je vrienden spelen voetbal, dus zet je elke week je beste beentje voor om de wedstrijd te winnen.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

87.

Is het voornaamwoord een persoonlijk of een bezittelijk voornaamwoord?


Als je daar in de regen achter een bal loopt, dan denk je wel eens aan je warme zetel. Je zou ook voor een andere hobby kunnen kiezen, maar nee, al je vrienden spelen voetbal, dus zet je elke week je beste beentje voor om de wedstrijd te winnen.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

88.

Is het voornaamwoord een persoonlijk of een bezittelijk voornaamwoord?


Als je daar in de regen achter een bal loopt, dan denk je wel eens aan je warme zetel. Je zou ook voor een andere hobby kunnen kiezen, maar nee, al je vrienden spelen voetbal, dus zet je elke week je beste beentje voor om de wedstrijd te winnen.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

89.

Is het voornaamwoord een persoonlijk of een bezittelijk voornaamwoord?


Als je daar in de regen achter een bal loopt, dan denk je wel eens aan je warme zetel. Je zou ook voor een andere hobby kunnen kiezen, maar nee, al je vrienden spelen voetbal, dus zet je elke week je beste beentje voor om de wedstrijd te winnen.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

90.

Is het voornaamwoord een persoonlijk of een bezittelijk voornaamwoord?


Als je daar in de regen achter een bal loopt, dan denk je wel eens aan je warme zetel. Je zou ook voor een andere hobby kunnen kiezen, maar nee, al je vrienden spelen voetbal, dus zet je elke week je beste beentje voor om de wedstrijd te winnen.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

91.

Is het voornaamwoord een persoonlijk of een bezittelijk voornaamwoord?


Als je daar in de regen achter een bal loopt, dan denk je wel eens aan je warme zetel. Je zou ook voor een andere hobby kunnen kiezen, maar nee, al je vrienden spelen voetbal, dus zet je elke week je beste beentje voor om de wedstrijd te winnen.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

92.

Is het voornaamwoord een persoonlijk of een bezittelijk voornaamwoord?


Als je daar in de regen achter een bal loopt, dan denk je wel eens aan je warme zetel. Je zou ook voor een andere hobby kunnen kiezen, maar nee, al je vrienden spelen voetbal, dus zet je elke week je beste beentje voor om de wedstrijd te winnen.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

93.

Is het voornaamwoord een persoonlijk of een bezittelijk voornaamwoord?


Jullie vergeten niet om morgen jullie taken het eerste lesuur af te geven. Als je je taak niet afgeeft, krijg je nog een extra taak.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

94.

Is het voornaamwoord een persoonlijk of een bezittelijk voornaamwoord?


Jullie vergeten niet om morgen jullie taken het eerste lesuur af te geven. Als je je taak niet afgeeft, krijg je nog een extra taak.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord