wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ontwikkelingspsychologie

Total questions: 35

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

In de ...... fase volgt een baby objecten met zijn/ haar oogjes. Kies het juiste antwoord:

a)

Preoperationele

b)

Concreet-operationele

c)

Sensomotorische

d)

Formeel-operationele

2.

'Nieuwe ervaringen worden geïnterpreteerd op basis van bestaande schema’s = werkelijkheid aanpassen aan je denkwijze '

a)

Assimilatie

b)

Accommodatie

3.

Met welk soort conflict wordt de adolescent geconfronteerd (Erikson)?

a)

Doorzettingsvermogen vs besluiteloosheid

b)

Initiatief vs schuldgevoel

c)

Intimiteit vs verbondenheid

d)

Identiteit vs rolverwarring

4.

In welke fase van de levensloopschema van Erikson speelt zich het onderstaande voorbeeld af?

a)

Fase 1 het verwerven van vertrouwen

b)

Fase 2 het verwerven van autonomie

c)

Fase 3 het verwerven van initiatief

d)

Fase 4 het verwerven van constructiviteit

e)

Fase 5 het verwerven van het gevoel van identiteit

5.

Op welk niveau (van Kohlberg) ligt de nadruk op autoriteit en sociale orde?

a)

Premoreel niveau

b)

Preconventioneel niveau

c)

Conventioneel niveau

d)

Post-conventioneel niveau

6.

Welk van de onderstaande opties bevatten de verschillende niveaus van morele ontwikkeling volgens Kohlberg?

a)

Senso-motorische fase, pre-operationele fase, concreet operationele fase en formeel operationele fase

b)

Pre-conventioneel, conventioneel en postconventioneel

c)

fase van het conflict, positieve en negatieve pool, ego-sterkte

7.

Welke fase van Piaget ?


Denken door hypothetisch-deductief redeneren

a)

Sensomotorisch

b)

Preoperationeel

c)

Concreet operationeel

d)

Formeel operationeel

8.

Volgens welke ontwikkelingstheorie is er in elke stadium van de ontwikkeling sprake van een crisis of conflict dat het individu moet oplossen?

a)

Psychosociale theorie van Erikson

b)

Psychoanalytische theorie van Freud

c)

Morele ontwikkeling van Kohlberg

d)

Cogntieve ontwikkelingstheorie van Piaget

9.

Adaptie is volgens Piaget de benaming voor ...

a)

het proces waarbij mensen een ervaring interpreteren binnen hun huidige cognitieve ontwikkelingsstadium en denkwijze.

b)

het proces waarbij bestaande manieren van denken veranderen in reactie op nieuwe stimuli of gebeurtenissen.

c)

de manier waarop kinderen reageren op en zich aanpassen aan nieuwe informatie.

10.

'Onder invloed van nieuwe ervaringen worden onze schema’s veranderd'

a)

Assimilatie

b)

Accommodatie

11.

Welke fase van Piaget ?

Kind handelt hoofdzakelijk op basis van zintuiglijke indrukken.

a)

Sensomotorisch

b)

Preoperationeel

c)

Concreet operationeel

d)

Formeel operationeel

12.

Joris uit groep 6 weet dat 16+8 hetzelfde is als 8+16. In welk stadium van Piaget zit hij?

a)

Sensomotorisch stadium

b)

Conreet operationeel stadium

c)

Preoperationeel stadium

13.
Iedereen bereikt de formeel operationele fase rond het 12e levensjaar.
a)
JA
b)
NEE
14.

Welk proces wordt hier geschetst?

het denken past zich aan de realiteit aan en de realiteit past zich in het denken waardoor er een nieuw evenwicht ontstaat

a)

adaptatie

b)

evenwichtstoestand

15.

Welk conflict van Erikson hoort hierbij?

a)

Tevredenheid ↔ wanhoop

b)

Intimiteit ↔ isolement

c)

Identiteit ↔ rolverwarring

d)

initiatief ↔ schuldgevoel

16.
In de formeel operationele fase van Piaget vindt een mens het moeilijk om deductief te denken
a)
JA
b)
NEE
17.

Om een berg te beklimmen, moet je over een grasveld, maar dit is echter pas gezaaid. De regel luidt dat je niet met bottinnen (bergschoenen) op het gras mag komen. Je houdt rekening met de situatie. Je mag bottinnen aandoen maar dit wel enkel als je voorbij het grasveld ben en bij de bergen aankomt.

a)

Fase 6: individuele principes en geweten

b)

Fase 5: democratisch geaccepteerde wetgeving.

c)

Fase 4: autoriteit en sociale orde.

d)

Fase 3: respect van anderen

18.

De theorie van Piaget hoort tot de...

a)

cognitieve ontwikkeling

b)

sociale ontwikkeling

c)

fysieke ontwikkeling

d)

persoonlijkheidsontwikkeling

19.

het pre-operationeel stadium is een periode tussen ...

a)

geboorte - 2 jaar

b)

2 - 7 jaar

c)

7 - 11 jaar

d)

vanaf 11 jaar

20.

Ik vind van mezelf dat ik de leerstof al goed beheers.

a)

Helemaal akkoord

b)

eerder akkoord

c)

eerder niet akkoord

d)

helemaal niet akkoord

21.

Jip is net 4 geworden en zit nu een week op de basisschool. De taak die je hierboven ziet beheerst zij nog niet. In welk stadium van Piaget zit zij?

a)

Formeel operationele fase

b)

Conreet operationele fase

c)

Preoperationele fase

22.

Welk conflict van Erikson hoort hierbij?

a)

Intimiteit ↔ isolement

b)

Productiviteit ↔ stagnatie

c)

vertrouwen ↔ wantrouwen

d)

Tevredenheid ↔ wanhoop

23.

Welk proces wordt hier geschetst?

het denken past zich aan de omgeving aan en houdt rekening met reeds verworven inzicht en begrip

a)

adaptatie

b)

evenwichtstoestand

24.

Welke crisis van Erikson hoort hierbij? (tip: hun liefde staat centraal)

a)

Productiviteit ↔ stagnatie

b)

Intimiteit ↔ isolement

c)

Competentie ↔ minderwaardigheid

d)

Tevredenheid ↔ wanhoop

25.

Wat is de kerngedachte in de theorie van Erikson? Probeer dit in je eigen woorden uit te leggen.

4 lines
26.

Een meisje wil snoepjes stelen in het Kruidvat, maar ziet aan de uitgang een bewakingsagent. Ze bergt snoepjes weer op. Dit doet ze niet omdat ze beseft dat het 'slecht' is. Ze wil gewoon straf vermijden en zo ook niet in conflict komen met haar ouders.

a)

Fase 1: straf en gehoorzaamheid

b)

Fase 3: het respect van anderen behouden

c)

Fase 5: democratisch geaccepteerde wetgeving

d)

Fase 6: individuele principes en geweten

27.

Welk conflict van Erikson hoort hierbij?

a)

Intimiteit ↔ isolement

b)

Autonomie ↔ schaamte en twijfel

c)

Identiteit ↔ rolverwarring

d)

vertrouwen ↔ wantrouwen

28.

Je werkt bij een verzekeringsmaatschappij. De burgers staken omdat het verzekeringssysteem de armsten van de bevolking niet voorzien van een sociaal vangnet. Je bent het hiermee eens dus je loopt mee in de staking ook al weet je dat deze actie consequenties heeft voor je carrière.

a)

Fase 6: individuele principes en geweten

b)

Fase 1: gehoorzaamheid en straf.

c)

Fase 2: beloning.

d)

Fase 4: autoriteit en sociale orde.

29.

Welk conflict van Erikson hoort hierbij?

a)

Productiviteit ↔ stagnatie

b)

Identiteit ↔ rolverwarring

c)

Autonomie ↔ schaamte en twijfel

d)

vertrouwen ↔ wantrouwen

30.

Leerkracht zegt: " Het ligt niet aan mij, de directeur heeft deze regel opgelegd."

a)

Fase 1: gehoorzaamheid en straf.

b)

Fase 3: respect van anderen

c)

Fase 4: autoriteit en sociale orde.

d)

Fase 6: individuele principes en geweten

31.

Welke fase van Erikson hoort hierbij? Zorg dat je in je eigen woorden kan uitleggen:

a) het conflict waarmee de persoon te maken krijgt

b) de leeftijd

c) de naam van de fase

d) een beschrijving van de fase

e) welk gedrag van de opvoeders verwacht wordt om deze fase vlot te doorlopen.

4 lines
32.

Je wilt naar een fuif, maar je moet babysitten op je kleine broertje. Je geeft je broertje pizza en zet een film op zodat jij weg kan gaan. Je doet dit enkel uit eigenbelang.

a)

Fase 1: gehoorzaamheid en straf

b)

Fase 2: beloning

c)

Fase 4: autoriteit en sociale orde

d)

Fase 3: respect van anderen

33.

Welke fase van Erikson hoort hierbij? Zorg dat je in je eigen woorden kan uitleggen:

a) het conflict waarmee de persoon te maken krijgt

b) de leeftijd

c) de naam van de fase

d) een beschrijving van de fase

e) welk gedrag van de opvoeders verwacht wordt om deze fase vlot te doorlopen.

4 lines
34.

Een punker verandert zijn uiterlijk en gedrag om een job te bemachtigen. Hij voelt zich niet goed in zijn vel, maar anders zou hij niet voldoen aan de criteria om de job te krijgen. Hij denkt dat als hij zich aanpast zijn toekomstige baas hem meer gaat respecteren.

a)

Fase 6: individuele principes en geweten

b)

Fase 5: democratisch geaccepteerde wetgeving.

c)

Fase 4: autoriteit en sociale orde.

d)

Fase 3: respect van anderen

35.

Welke crisis van Erikson hoort hierbij?

a)

Initiatief ↔ schuldgevoel

b)

vertrouwen ↔ wantrouwen

c)

Productiviteit ↔ stagnatie

d)

Initiatief ↔ schuldgevoel