Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Evaluation néerlandais 28 mai 2021 Premières

Total questions: 35

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

In welk land wordt Willem van Oranje geboren?

a)

Nederland

b)

Duitsland

c)

Frankrijk

2.

Willem is bekend als Willem van Oranje maar in werkelijkheid krijgt hij de titel Oranje later. Hoe oud was hij toen?

a)

12 jaar

b)

14 jaar

c)

11 jaar

3.

Met welke achternaam wordt Willem geboren?

a)

Van Nassau

b)

Van Lippe

c)

De Rijke

4.

In welk jaar wordt Willem geboren?

a)

1530

b)

1533

c)

1531

5.

Van koning Filips II moet iedereen in de Nederlanden dezelfde religie hebben. Ze moeten :

a)

katholiek zijn

b)

joods zijn

c)

protestant zijn

6.

Filips II is de zoon van

a)

Karel V

b)

Elizabeth I

c)

Filips de Goede

7.

De Beeldenstorm vond plaats in

a)

1566

b)

1567

c)

1568

8.

Na de Beeldenstorm verzamelt Willem van Oranje een leger om te strijden tegen Filips II. Hoe heet zijn leger?

a)

De Waterdieven

b)

De Geuzen

c)

De Oranjes

9.

Het Nederlandse volkslied is een eerbetoon aan Willem van Oranje. Hoe heet het volkslied?

a)

Het Geuzenlied

b)

Het Oranjestrijdlied

c)

Het Wilhelmus

10.

In opdracht van ... wordt Willem van Oranje vermoord. Wat moet er op de puntjes staan?

a)

Napoléon

b)

Koning Filips II

c)

Keizer Karel V

11.

Willem van Oranje wordt in ... vermoord. Wat moet er op de puntjes staan?

a)

1582

b)

1586

c)

1584

12.

Willem wordt door Balthasar Gerards vermoord. Balthasar Gerards was een:

a)

katholieke Fransman

b)

katholieke Nederlander

c)

Katholieke Spanjaard

13.

Voor de Nederlanders is Willem van Oranje een grote held (= héros). Hij wordt ook ...genoemd. Wat moet er op de puntjes staan?

a)

Vader van Nederland

b)

Vader van de Nederlanden

c)

Vader des Vaderlands

14.

Willem van Oranje had een ideaal. Welke zin beschrijft het best dit ideaal?

a)

Willem streed voor de onafhankelijkheid van Nederland

b)

Willem streed voor religieuze tolerantie en tegen de centralisatiepolitiek van Filips II

c)

Willem streed vooral voor zichzelf en zijn familie

15.

Koningsdag in Nederland vindt plaats op

a)

30 april

b)

25 april

c)

27 april

16.

Hoe heet de huidige koning van Nederland?

a)

Jan-Willem

b)

Karel-Alexander

c)

Willem- Alexander

17.

In welk jaar werd Nederland onafhankelijk van Spanje?

a)

in 1650

b)

in 1648

c)

1599

18.

Prétérit:

conjuguez we (stoppen)

a)

stopden

b)

stopten

c)

stoopten

19.

Prétérit:

Conjuguez: Mijn vrienden (lenen)

a)

leenden

b)

leende

c)

lenden

20.

Prétérit:

conjuguez Peter (leggen)

a)

legte

b)

leggde

c)

legde

21.

Prétérit:

Conjuguez De hond (blaffen)

a)

blafde

b)

blafte

c)

blaffde

22.

Prétérit:

Conjuguez Jullie (beloven)

a)

beloovden

b)

beloofden

c)

belooften

23.

Prétérit:

Conjuguez: Paula (dansen)

a)

dansde

b)

dansden

c)

danste

24.

Prétérit:

Conjuguez Lisa (lezen)

a)

leesde

b)

leezde

c)

las

25.

Prétérit:

Maria en Jan (helpen)

a)

helpden

b)

hielpen

c)

helpten

26.

Perfectum:

Conjuguez meespelen (3e personne pluriel)

a)

Ze hebben meegespeelt

b)

Ze heeft meegespeeld

c)

Ze hebben meegespeeld

27.

Perfectum:

Conjuguez gebruiken (1ère personne du singulier

a)

Ik had gebruikt

b)

ik heb gebruikte

c)

ik heb gebruikt

28.

Perfectum:

Conjuguez zeggen (3e personne féminin singulier)

a)

Ze heeft gezei

b)

Hij heeft gezegd

c)

Ze heeft gezegd

29.

Perfectum:

Conjuguez blijven (1ère personne du singulier)

a)

ik heb geblijven

b)

ik ben gebleven

c)

ik ben geblijfd

30.

Perfectum:

Conjuguez praten (2e personne informel du pluriel)

a)

jullie hebben geprat

b)

u heeft gepraat

c)

jullie hebben gepraat

31.

Perfectum:

Conjuguez verhuizen (vous de politesse)

a)

Jullie zijn verhuisd

b)

U bent verhuist

c)

U bent verhuisd

32.

Perfectum:

Conjuguez oppassen ( 2 personne singulier)

a)

je hebt gepast op

b)

jullie hebben opgepassen

c)

jullie hebben opgepast

33.

Perfectum:

conjuguez terugkomen 1ère personne pluriel

a)

We zijn geteruggekomen

b)

We zijn terugekomen

c)

We zijn teruggekomen

34.

Perfectum:

Conjuguez regenen 3e personne neutre du singulier

a)

Hij heeft geregent

b)

Het heeft geregend

c)

Het had geregend

35.

Perfectum:

Conjuguez opstaan (3e personne pluriel)

a)

ze zijn geopgestaan

b)

ze zijn gestaand op

c)

Ze zijn opgestaan