wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

AFP _ Immunologie

Total questions: 57

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de medische benaming voor de studie van de afweer?

(a)  

2.

Wat zijn voorbeelden van de endogene afweer?

a)

Slijmvliezen en Macrofagen

b)

Huid en Slijmvliezen

c)

Macrofagen en antistoffen

d)

Antistoffen en Enzymen in het traanvocht

3.

Vink alle vormen van exogene afweer aan.

a)

Huid

b)

Slijmvliezen en trilharen

c)

Ontstekingsreactie

d)

Darmflora

e)

T cellen

4.

Met welke vorm van afweer wordt je geboren?

a)

Ontstekingsreactie en Macrofagen

b)

Geactiveerde T en B cellen

c)

Geheugen B cellen

5.

Wat hoort er op de rode stippellijn?

a)

Macrofagen

b)

Geheugen B cellen

c)

Lymfosysteem

d)

Complementsysteem

6.

Wat is GEEN functie van de ontstekingsreactie?

a)

Alarmsysteem

b)

Stolselvorming

c)

Aanmaken geheugencellen

d)

Activeren fagocyten

7.

Welke van de onderste zijn leucocyten?

a)

Macrofagen

b)

Granulocyten

c)

T cellen

d)

B cellen

e)

Alle bovenstaande

8.

Hoe noemen we de vorm van immunisatie wanneer je gevaccineerd wordt?

a)

Natuurlijke actieve immuniteit

b)

Kunstmatige actieve immuniteit

c)

Natuurlijke passieve immuniteit

d)

Kunstmatige passieve immuniteit

9.

Hoe noemen we de vorm van immunisatie wanneer een baby antistoffen meekrijgt van de moeder?

a)

Natuurlijke actieve immuniteit

b)

Kunstmatige actieve immuniteit

c)

Natuurlijke passieve immuniteit

d)

Kunstmatige passieve immuniteit

10.

Als je een ziekte hebt doorgemaakt en geheugen T en B cellen, en antistoffen hebt, kan je niet meer ziek worden door deze ziekte. Je bent dan (a)  

11.

B en T cellen zijn gespecialiseerd leucocyten. Hoe noem je deze ook wel?

a)

Monocyten

b)

Lymfocyten

c)

Granulocyten

d)

Erytrocyten

12.

Wat is de medische term voor een ziekteverwekker?

(a)  

13.

Welke leucocyten zijn verantwoordelijk voor de specifieke afweer?

a)

Monocyten en Granulocyten

b)

Macrofagen en Granulocyten

c)

Monocyten en T cellen

d)

T en B cellen

14.

Een Monocyt is een witte bloedcel die in de bloedstroom zit. Als deze naar het weefsel verplaatst noem je hem een...

a)

Granulocyt

b)

Macrofaag

c)

Complement eiwit

d)

Immunoglobuline

15.

Wat is de Nederlandse term voor een immunoglobuline?

(a)  

16.

Waar of niet waar?


De Barrières zijn voorbeelden van exogene afweer

a)

Waar

b)

Niet waar

17.

Waar of niet waar?


Granulocyten zijn onderdeel van de derdelijns defensie

a)

Waar

b)

Niet waar

18.

Waar of niet waar?


T cellen reageren op meerdere pathogenen.

a)

Waar

b)

Niet waar

19.

Waar of niet waar?


B cellen maken immunoglobulines aan.

a)

Waar

b)

Niet waar

20.

Waar of niet waar?


Als jij ziek bent geweest heb je daarna een natuurlijke kunstmatige immuniteit voor deze ziekte.

a)

Waar

b)

Niet waar

21.

Waar of niet waar?


Het maken van antistoffen door B cellen wordt Humorale immuniteit genoemd.

a)

Waar

b)

Niet waar

22.

Vink de onderdelen aan van de aspecifieke afweer.

a)

T cellen

b)

Fagocytose door macrofagen en granulocyten

c)

Ontstekingsreactie

d)

B cellen

e)

Barrières

23.

Welke functie hebben antistoffen?

a)

Zij markeren een pathogeen zodat deze makkelijke vernietigd kan worden

b)

Zij zorgen dat pathogeen geen cellen kan infecteren

c)

Zij maken een pathogeen kapot

d)

Zij zorgen dat een pathogeen uitgeplast wordt

24.

Wat is een antigeen?

a)

Antistof

b)

Antilichaam

c)

Lichaamsvreemde stof

d)

'Antenne' op de wand van T cel

25.

Welk systeem is betrokken bij de afweer?

a)

Circulatie

b)

Neurologisch systeem

c)

Lymfatisch systeem

d)

Urinair stelsel

26.

Wat is de medische term voor ziekteleer ook alweer?

(a)  

27.

Wat is de oorzaak van een infectie?

a)

Mechanische oorzaak

b)

Chemische oorzaak

c)

Ziekteverwekker

d)

Overbelasting

28.

Welke cellen zorgen voor de specifieke humorale afweer van het lichaam?

a)

Cytotoxische t-cellen

b)

B-lymfocyten

c)

T-helpercellen

d)

Dendritische cellen

29.

Welk antwoord is geen onderdeel van de aspecifiek immuniteit?

a)

De huid

b)

Lysozym

c)

Koorts

d)

Antilichamen

30.

Wat is de vijfde groep pathogenen naast bacteriën, virussen, schimmels/gisten en wormen?

(a)  

31.

Wanneer we het hebben over ontstekingsverschijnselen, wat is de medische term voor 'warmte' ?

a)

Rubor

b)

Dolor

c)

Calor

d)

Tumor

32.

Wat is de medische term voor witte bloedcellen?

(a)  

33.

Hoe heet het proces waarbij je lichaam een allergie ontwikkeld na de eerste keer dat je in aanraking komt met een allergeen.

a)

Bewapenen

b)

Sensibilisering

c)

Anafylactische reactie

d)

Urticaria

34.

Welke antistof wordt aangemaakt bij een type 1 allergie?

a)

Histamine

b)

Immunoglobuline type B

c)

Immunoglobuline type E

d)

Antihistamine

35.

Op welke cel bindt de Immunoglobuline type E zich?

a)

Erythrocyt (rode bloedcel)

b)

T cel (Leucocyt/witte bloedcel)

c)

Antistof

d)

Mestcel

36.

Welke stof zorgt er bij een allergie voor de ontstekingsreactie?

a)

Histamine

b)

Immunoglobuline type E

c)

Allergeen

d)

Antigeen

37.

Waardoor is een anafylactische shock zo gevaarlijk?

a)

Je slijmvliezen kunnen dicht zwellen waardoor je niet meer kunt ademhalen

b)

Je bloeddruk daalt enorm waardoor je vitale organen niet voldoende bloed krijgen

c)

Je luchtpijp knijpt samen waardoor je enorm benauwd bent

d)

Alle antwoorden zijn goed

38.

Wat moet er als eerste toegediend worden bij een patient met een anafylactische shock?

a)

Allergeen

b)

Adrenaline (Epipen)

c)

Antihistamine

d)

Immunoglobuline type E

39.

Hoe heet een type 1 allergie ook wel?

a)

Anafylactische reactie

b)

Anafylactische shock

c)

Directe reactie

d)

Vertraagde reactie

40.

Wat is een voorbeeld van een type 4 allergische reactie?

a)

Contacteczeem door dragen van sieraden

b)

Hooikoorts

c)

Heftige allergische reactie op noten

d)

Urticaria

41.

Waar staat het woordje 'auto' voor in auto-immuunziekte?

a)

Tegen

b)

Zelf

c)

Snel

d)

Buiten

42.

Wat gebeurd er bij een auto-immuunziekte?

a)

Eigen lichaamscellen worden vernietigd

b)

Het lichaam ziet eigen cellen als lichaamsvreemd

c)

Er worden antistoffen gemaakt tegen eigen lichaamscellen

d)

Alle bovenstaande

43.

Waar of Niet waar?


Auto-immuunziekte komen vaker voor bij vrouwen dan bij mannen.

a)

Waar

b)

Niet waar

44.

Waar of Niet waar?


Erfelijke aanleg speelt geen rol bij auto-immuunziektes.

a)

Waar

b)

Niet waar

45.

Waar of Niet waar?


Psoriasis is een besmettelijke aandoening.

a)

Waar

b)

Niet waar

46.

Waar of Niet waar?


Van Colitis Ulcerosa kan je genezen.

a)

Waar

b)

Niet waar

47.

Waar of Niet waar?


Glumerulonefritis is een ontsteking van de nierschors waardoor je nierfunctie kan afnemen.

a)

Waar

b)

Niet waar

48.

Waar of Niet waar?


Bij Diabetes Type 1 reageert je lichaam niet goed meer op insuline.

a)

Waar

b)

Niet waar

49.

Diabetes type 1 is een ziekte die te maken heeft met welk orgaan?

a)

Hepar

b)

Gaster

c)

Pancreas

d)

Colon

50.

Bij pernicieuze anemie (vorm van bloedarmoede) krijg je een tekort van welke stof?

a)

IJzer

b)

Ferritine

c)

Vitamine B12

d)

Proteïne

51.

Waar vindt je de ontstekingen bij Reumatoïde artritis?

a)

Darmen

b)

Nieren

c)

Gewrichten

d)

Zenuwstelsel

52.

MS is een heftige ziekte die ontstekingen geeft in het centrale zenuwstelsel (hersenen en ruggenmerg).

Welke klachten passen hierbij?

a)

Blindheid, gevoelsstoornissen en onvruchtbaarheid

b)

Gevoelsstoornissen, krachtsverlies, moeilijkheden met plassen

c)

Onvruchtbaarheid, krachtsverlies, seksuele problemen

d)

Vergroeiingen handen, krachtsverlies, gevoelsstoornissen

53.

Bij welke ziekte werkt de schildklier te hard?

a)

Hyperthyreoïdie

b)

Hypothyreoïdie

54.

Welk orgaan bepaald of een stof lichaams-eigen of lichaams-vreemd is, en wordt ook wel de 'centrale van de immuniteit' genoemd?

a)

Hersenen

b)

Pancreas

c)

Thymus

d)

Adenoïd

55.

Het lymfatisch systeem is belangrijk voor de afweer, maar welke functie heeft dit systeem nog meer?

a)

Ondersteund de circulatie

b)

Geeft prikkels door vanuit het ruggemerg

c)

Zorgt voor uitscheiding

d)

Produceert hormonen

56.

Welke ziekte is GEEN auto-immuunziekte?

a)

Ziekte van Crohn

b)

Hypothyreoïdie

c)

Psoriasis

d)

Diabetes Mellitus type 2

e)

Multiple Sclerose

57.

Welke cellen zijn vaak als eerste ter plaatse wanneer de exogene barrière is doorbroken?

a)

T cellen

b)

Granulocyten

c)

Monocyten

d)

Erythrocyten