Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets kennisvragen H5 par. 1 t/m 3 havo3

Total questions: 37

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Het Pleistoceen bestaat uit drie periodes. Welke drie zijn dat?

a)

Holoceen

b)

Tertiair

c)

Saale / Glaciaal

d)

Postglaciaal

e)

Preglaciaal

2.

In welke periode kwam het landijs in Nederland?

a)

Postglaciaal

b)

Glaciaal

c)

Preglaciaal

3.

Welke 3 afzettingen werden afgezet in het Glaciaal?

a)

stuwwal

b)

keileem

c)

zwerfstenen

d)

löss

e)

grof zand

4.

Waar kwam het dekzand vandaan dat tijdens het Postglaciaal is neergelegd in Nederland?

a)

Het kwam van de drooggevallen Noordzee en werd door de wind naar Nederland geblazen.

b)

Het kwam van de drooggevallen Noordzee en werd door het landijs naar Nederland getransporteerd.

c)

Het kwam uit Scandinavië en werd door het landijs naar Nederland getransporteerd.

d)

Het kwam vanuit de Alpen en werd door de rivieren naar Nederland gebracht.

5.

Keileem is een afzetting die je alleen kan vinden waar vroeger landijs is geweest.

a)

Juist

b)

Onjuist

6.

Welke afzetting hoort bij de volgende omschrijving?

'leem, vermalen keien vermengd met stenen'

a)

zwerfstenen

b)

tongbekken

c)

keileem

d)

puinwaaier

7.

Waar kwam het landijs vandaan tijdens het Saale (Glaciaal)?

a)

Groenland

b)

Scandinavië

c)

De Alpen

d)

Duitsland

8.

Welke afzettingen horen bij het postglaciaal?

a)

dekzand

b)

löss

c)

zwerfstenen

d)

puinwaaier

9.

Welke vervoerder heeft de puinwaaier neergelegd in Nederland tijdens het preglaciaal?

a)

wind

b)

rivieren

c)

landijs

10.

Bij welke periode hoort deze doorsnede?

a)

Glaciaal

b)

Preglaciaal

c)

Postglaciaal

d)

Tertiair

11.

Welke periode hoort op plek A te staan? En welke op plek B?

a)

A = Mioceen B = Kwartair

b)

A = Kwartair, B = Mioceen

c)

A = Kwartair, B = Holoceen

d)

B = Holoceen, A = Kwartair

12.

Welke afzetting wordt hier omschreven? 'fijn stof zand wat door wind is neergelegd'

a)

grind

b)

zand

c)

löss

d)

klei

13.

Waar is het dekzand vandaan gekomen tijdens het postglaciaal?

a)

uit de bergen

b)

uit de rivieren

c)

de drooggevallen Noordzee

d)

door het landijs meegekomen uit Scandinavië

14.

Stuwwallen zijn rivierafzettingen die in het preglaciaal waren neergelegd en door het landijs opzij is geduwd tot een heuvel.

a)

goed

b)

fout

15.

Vanwege de lage stroomsnelheid in het noorden en het westen van Nederland werden daar dikke pakketten sediment neergelegd in het preglaciaal.

a)

juist

b)

onjuist

16.

Bij een hoge stroomsnelheid van een rivier worden op die plek alleen maar zware sedimenten neergelegd.

a)

juist

b)

onjuist

17.

Waar in Nederland vind je stuwwallen?

a)

Die zijn er niet in Nederland

b)

In Zeeland

c)

In het midden van Nederland

d)

Alleen in het noorden van Nederland (Groningen en Friesland)

18.

Waar vind je keileem in Nederland?

a)

Overal in Nederland

b)

Alleen waar landijs is geweest, dus Noord-Nederland

c)

Alleen waar landijs is geweest, dus Zuid-Nederland

d)

Waar rivieren hebben gestroomd

19.

In het preglaciaal was de stroomsnelheid het hoogst in het zuiden van Nederland.

a)

juist

b)

onjuist

20.

In het Holoceen werd het warmer. Wat gebeurde er met de zeespiegel?

a)

de zeespiegel is gestegen

b)

de zeespiegel daalde

21.

Door een stijging van de temperatuur verandert de waterkringloop. Wat verandert er dan?

a)

er vind minder verdamping plaats

b)

er vindt meer verdamping plaats

c)

Meer water wordt in ijs opgeslagen

d)

Er valt meer neerslag in de vorm van sneeuw

22.

Bij welke grondsoort zakt het water snel weg?

a)

zand

b)

klei

c)

veen

d)

löss

23.

Welke grondsoorten zijn van nature vruchtbaar?

a)

zand

b)

veen

c)

klei

d)

löss

24.

Welke grondsoort heeft als structuur geen korrels, maar vezels?

a)

zand

b)

löss

c)

klei

d)

veen

25.

Wat is eerder neergelegd in het Holoceen: Basisveen of Hollandveen?

a)

Basisveen

b)

Hollandveen

26.

Wat is eerder neergelegd in het Holoceen: Hollandveen of jonge duinen?

a)

Hollandveen

b)

Jonge duinen

27.

Wat is de juiste volgorde van het ontstaan van duinen?

a)

strandwal > strand > duinen

b)

duinen > strand > strandwal

c)

duinen > strandwal > strand

d)

strand > strandwal > duinen

28.

Met welke wordt het zandlandschap aangegeven?

(a)  

29.

Met welke letter worden de essen aangegeven?

(a)  

30.

Met de letter A worden de groengronden aangegeven?

a)

juist

b)

onjuist

31.

Voor 1900 stond akkerbouw in dienst van de veeteelt

a)

juist

b)

onjuist

32.

Welk plaatje laat intensieve veehouderij zien?

a)
b)
c)
d)
33.

Wat is de juiste definitie van intensieve landbouw?

a)

Het gebruik van veel kennis en kapitaal om een hoge productie per ha of per dier te halen

b)

Het gebruik van veel mensen en weinig kapitaal om een hoge productie per ha of per dier te halen

c)

Het gebruik van veel machines en veel mensen om een hoge productie per ha of per dier te halen

d)

Het gebruik van veel kapitaal en heide om een hoge productie per ha of per dier te halen

34.

Verzuring komt o.a. van ammoniak (een gas uit mest)

a)

juist

b)

onjuist

35.

Door kanalisering (rechttrekken van een beek) werd verdroging voorkomen.

a)

juist

b)

onjuist

36.

Waarom liggen de essen hoger dan de omgeving?

a)

essen zijn gebouwd tegen overstromingen

b)

essen zijn stuwwallen

c)

door eeuwenlange bemesting met mest en heideplaggen

d)

dat is toeval

37.

Groengronden worden tegenwoordig ook als akkerland gebruikt. Waardoor is dat mogelijk geworden?

a)

door vermesting

b)

door verzuring

c)

door rechttrekken van de beken