wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

LMN Hfd 4 Show

Total questions: 13

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

De schakeling is een

a)

serieschakeling

b)

parallelschakeling

2.

De schakeling is een

a)

serieschakeling

b)

parallelschakeling

3.

Dit hoort allemaal bij elkaar

a)

Juist

b)

Onjuist

4.

De schakelaar wordt niet gesloten. Je draait lampje A los (de bovenste lampje). Welke lampje(s) branden?

a)

lampje A

b)

lampje B

c)

beide lampjes

d)

geen van beide lampjes

5.

In een parallelschakeling heeft elk apparaat zijn eigen stroomkring.

a)

juist

b)

niet juist

6.

In een serieschakeling zitten alle apparaten in dezelfde stroomkring.

a)

juist

b)

onjuist

7.

Thuis zijn alle apparaten in serie geschakeld

a)

juist

b)

onjuist

8.

Als je het klein beeldje dichter bij de lichtbron schuift dan wordt de schaduw groter.

a)

juist

b)

onjuist

9.

Vul in:

De ______ draait om de ________ .

a)

aarde, maan

b)

maan, aarde

c)

zon, aarde

10.

Als de schaduw van de maan op de aarde valt, dan is sprake van een: _______________

a)

zonsverduistering

b)

maansverduistering

11.

Oom Peter kan de krant niet meer goed lezen.

Hij gaat naar een opticien en krijgt een bril.

Is Oom Peter bijziend of verziend?

Krijgt hij een bril met + of - glazen?

a)

Oom Peter is bijziend en krijgt een bril met +glazen

b)

Oom Peter is verziend en krijgt een bril met +glazen

c)

Oom Peter is bijziend en krijgt een bril met -glazen

d)

Oom Peter is verziend en krijgt een bril met -glazen

12.

Als je het beeld verder van de lens tekent, moet je het beeld dan groter of kleiner tekenen?

a)

groter

b)

kleiner

13.

Dit is een holle lens. Holle lenzen divergeren lichtstralen.

a)

Juist

b)

Onjuist