wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling leerstof PW juni Campus 1

Total questions: 109

Worksheet time: 1hrs 4mins

Name
Class
Date
1.

Noteer het voltooid deelwoord.

In Nederland wordt vaker ........(pinnen).

a)

gepint

b)

gepind

2.

Gisteren heb ik de deur om tien uur.......(sluiten).

a)

gesluit

b)

gesluiten

c)

gesloot

d)

gesloten

3.

Ik was ............(raken) door die opmerking over mijn overleden hondje.

a)

geraakt

b)

gerakt

c)

geraken

d)

geraakd

4.

Tijdens de wedstrijd werd de handdoek in de ring .....(werpen).

a)

gewerpt

b)

gewerpen

c)

geworpen

d)

geworpt

5.

Heb je de kratjes ..........(opstapelen)?

a)

geopstapeld

b)

opgestapeld

c)

opgestapelt

d)

geopstapelt

6.

Heb je haar een kaartje.......(sturen)?

a)

gestuurt

b)

gestuurd

7.

De stallen worden binnenkort ....... (slopen).

a)

gesloopt

b)

gesloopd

8.

Op het feest heeft hij met haar ......(dansen).

a)

gedanst

b)

gedansd

9.

Yasmine heeft zijn haar blauw ........(verven).

a)

gevervd

b)

gevervt

c)

geverfd

d)

geverft

10.

Maud heeft dit weekend goed ........(voetballen).

a)

gevoetbalt

b)

gevoetbald

c)

voetgebald

d)

voetgebalt

11.

Vorige week heb ik met mijn oma in 's-Hertogenbosch ......(lunchen).

a)

geluncht

b)

gelunchet

c)

gelunched

d)

gelunchd

12.

Is het onderstreepte woord een voltooid deelwoord?

Het gebeurt tijdens iedere les.

a)

Nee, gebeurt is hier een persoonsvorm. Je kunt er namelijk 'het gebeurde' van maken. En de persoonsvorm is het werkwoord dat verandert als je de zin in een andere tijd zet.

b)

Ja, want er staat het voorvoegsel 'ge' voor en dan is het werkwoord altijd een voltooid deelwoord.

13.

Is het onderstreepte woord een voltooid deelwoord of een persoonsvorm?

De N279 is een aantal jaren geleden verbreed.

a)

voltooid deelwoord

b)

persoonsvorm

14.

Is het onderstreepte woord een persoonsvorm of een voltooid deelwoord?

Jasmijn herkanst morgen haar toets van Nederlands.

a)

persoonsvorm

b)

voltooid deelwoord

15.

Wat is het voltooid deelwoord van 'bakken'?

a)

gebak

b)

gebaken

c)

gebakt

d)

gebakken

16.

Wat is het voltooid deelwoord van 'poetsen'?

a)

gepoetst

b)

gepoetsen

c)

gepoetsd

17.

Wat is het voltooid deelwoord van 'werken'?

a)

gewerken

b)

gewerkt

c)

gewerkd

18.

Wat is het voltooid deelwoord van 'drinken'?

a)

dronken

b)

gedronken

c)

gedrinkt

19.

Tijdens de verhuizing werden veel meubels ... . (beschadigen)

(a)  

20.

De wielrenner heeft zich ... uit het peloton. (afscheiden)

(a)  

21.

Hij heeft de bladeren ... in een oud telefoonboek. (drogen)

(a)  

22.

De rekenboeken op onze school zijn ... . (vernieuwen)

(a)  

23.

De chauffeur heeft net op tijd ... . (remmen)

(a)  

24.

Hebben jullie haar goed ... ? (kennen)

(a)  

25.

Jullie hebben al heel wat kennis ... . (verwerven)

(a)  

26.

Het is niet ... wat jij doet. (verantwoorden)

(a)  

27.

Ik ben gisteren met het verkeerde been uit bed ... . (stappen)

(a)  

28.

Wat is hier nu weer ... ? (gebeuren)

(a)  

29.

Welke zin staat in de voltooide tijd?

a)

Gisteren liep ik op straat.

b)

Liep ik gisteren op straat?

c)

Ik heb gisteren op straat gelopen.

30.

Welke zin staat in de voltooide tijd?

a)

Gisteren had ik gitaarles.

b)

Ik ben naar gitaarles geweest.

c)

Had ik gisteren gitaarles?

31.

Welke zin staat in de voltooide tijd?

a)

Karel is naar huis gegaan.

b)

Ging Karel naar huis?

c)

Karel ging naar huis.

32.

Welke zin staat in de voltooide tijd?

a)

Gingen jullie op vakantie?

b)

Wij gingen op vakantie.

c)

Ik ben op vakantie geweest.

33.

Welke zin staat in de voltooide tijd?

a)

Anne slaapt morgen bij haar buurmeisje.

b)

Anne heeft bij haar buurmeisje geslapen.

c)

Sliep Anne bij haar buurmeisje?

34.

In welke tijd staat onderstaande zin?


Het eerste Nederlandse snoep was gemaakt van suikerriet.

a)

OTT

b)

OVT

c)

VTT

d)

VVT

35.

In welke tijd staat onderstaande zin?


Aan het begin van de zestiende eeuw mengden drogisten rietsuiker met water en soms cacao.

a)

OTT

b)

OVT

c)

VTT

d)

VVT

36.

In welke tijd staat onderstaande zin?


Dat hebben ze in eerste instantie verkocht als medicijn tegen verkoudheid.

a)

OTT

b)

OVT

c)

VTT

d)

VVT

37.

In welke tijd staat onderstaande zin?


Suiker kun je ook uit suikerbieten halen.

a)

OTT

b)

OVT

c)

VTT

d)

VVT

38.

Jules Verne (1828-1905) schreef een boek over een reis naar de maan, lang voordat mensen daadwerkelijk naar de maan gingen.

Aan welk signaalwoord herken je het chronologische tekstverband?

a)

voordat

b)

lang

c)

daadwerkelijk

39.

Zet ten slotte de cake in het midden van de oven.

Het rode signaalwoord geeft aan:

a)

chronologisch verband

b)

opsommend verband

40.

We zijn met z'n allen op zoek naar 800 loodgieters, halen lassers uit het buitenland, zien een stukadoorstekort aankomen en vandaag werd ook nog eens bekend dat er te weinig schilders zijn.

Aan welke signaalwoorden herken je het opsommend tekstverband?

a)

op zoek, vandaag

b)

loodgieters, lassers, stukadoors, schilders

c)

en, ook

d)

op zoek, halen, zien, bekend worden

41.

Zorg ten eerste dat je een vast bedrag aan zakgeld krijgt. Spreek verder af wat je van het geld moet betalen. Ook hoelang je ermee moet doen.

Aan welke signaalwoorden zie je dat het om een opsommend tekstverband gaat?

a)

Zorg, spreek, doen

b)

vast bedrag, wat, hoelang

c)

ten eerste, verder, ook

42.

Niet alleen de nieuwbouw trekt aan, er is ook een groeiende markt voor onderhoudswerk.

Met welk tekstverband hebben we hier te maken?

a)

chronologisch verband

b)

opsommend verband

43.

Aan het woord is Roeland Dietvorst van Neuro Labs, dat hersenactiviteit meet tijdens het zien van reclames. Welk tekstverband wordt in deze zin gebruikt?

a)

opsommend verband

b)

chronologisch verband

44.

Jules Verne (1828-1905) schreef een boek over een reis naar de maan, lang voordat mensen daadwerkelijk naar de maan gingen.Welk tekstverband wordt hier gebruikt?

a)

opsommend tekstverband

b)

chronologisch tekstverband

45.

Radiospotjes moeten mensen overhalen om iets te kopen zonder dat ze beelden te zien krijgen. Je moet met je stem echt emotie in het verhaal brengen. Je moet je eigen stem heel goed kennen. Bovendien moet je een beetje lef hebben om lekker gek te doen. Welk tekstverband geeft het rode signaalwoord aan?

a)

chronologisch verband

b)

opsommend verband

46.

Ik kijk op mijn telefoon terwijl ik naar het lokaal loop.


Het rode signaalwoord geeft aan:

a)

opsommend verband

b)

chronologisch verband

47.

Wat is het lijdend voorwerp?


Dit schilderij moet tweeduizend euro opbrengen.

a)

moet

b)

Dit schilderij

c)

moet opbrengen

d)

tweeduizend euro

48.

Wat is het lijdend voorwerp?


Hij kan een goede prijs hiervoor maken.

a)

Hij

b)

een goede prijs

c)

hiervoor

d)

kan maken

49.

Wat is het lijdend voorwerp?


Zij doen de verkeerde dingen.

a)

de verkeerde dingen

b)

Zij

c)

doen

50.

Wat is het lijdend voorwerp?


Hij slaat spijkers met koppen.

a)

Hij

b)

slaat

c)

spijkers

d)

spijkers met koppen

51.

Wat is het lijdend voorwerp?


Hij neemt dit nooit serieus.

a)

Hij

b)

neemt

c)

dit

d)

nooit serieus

52.

Wat is het lijdend voorwerp?


Hij brengt zijn moeder weg

a)

brengt

b)

brengt weg

c)

zijn moeder

d)

Hij

53.

Heeft jullie hond een stamboom?

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

54.

Nee hoor, hij plast gewoon tegen elke boom die hij ziet.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

55.

Een eendagsvlieg vliegt door het bos.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

56.

Ze kan nog net een spinnenweb ontwijken.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

57.

"Wacht maar!" schreeuwt de spin hem na.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

58.

"Morgen krijg ik je wel."

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

59.

"Wedden van niet," roept de eendagsvlieg terug.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

60.

Een oudere vrouw vraagt aan een jongen op straat: "Hou oud ben je?"

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

61.

De jongen antwoordt: "Negen jaar."

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

62.

"Aha! En wat wil je later graag worden?"

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

63.

Hij hoeft maar twee tanden te poetsen.

a)

onderwerp

b)

persoonsvorm

c)

lijdend voorwerp

d)

meewerkend voorwerp

64.

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?


De mentor mocht de geslaagden hun vwo-diploma overhandigen.

a)

de mentor

b)

de geslaagden

c)

hun vwo-diploma

d)

Er is geen meewerkend voorwerp.

65.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?


Op tv maakte de generaal de staatsgreep bekend aan het volk?

a)

op tv

b)

de generaal

c)

de staatsgreep

d)

aan het volk

66.

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?


Vertelde de hopman zijn scouts vannacht een spookverhaal?

a)

de hopman

b)

zijn scouts

c)

een spookverhaal

d)

Er is geen meewerkend voorwerp.

67.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?


De gevraagde brochure zullen wij u vandaag nog toesturen.

a)

de gevraagde brochure

b)

wij

c)

u

d)

vandaag

68.

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?


Om drie uur geeft de bondscoach de pers zijn opstelling door.

a)

om drie uur

b)

de bondscoach

c)

de pers

d)

zijn opstelling

69.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?


Zou u mij een bord spaghetti willen opscheppen?

a)

u

b)

mij

c)

een bord spaghetti

d)

willen opscheppen

70.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?


De mentor mocht de geslaagden hun vwo-diploma overhandigen.

a)

de mentor

b)

de geslaagden

c)

hun vwo-diploma

d)

Er is geen lijdend voorwerp.

71.

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?


Op tv maakte de generaal de staatsgreep bekend aan het volk.

a)

op tv

b)

de generaal

c)

de staatsgreep

d)

aan het volk

72.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?


Vertelde de hopman zijn scouts vannacht een spookverhaal?

a)

de hopman

b)

zijn scouts

c)

vannacht

d)

een spookverhaal

73.

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?


De gevraagde brochure zullen wij u vandaag nog toesturen.

a)

de gevraagde brochure

b)

wij

c)

u

d)

vandaag nog

74.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?


Om drie uur geeft de bondscoach de pers zijn opstelling door.

a)

om drie uur

b)

de bondscoach

c)

de pers

d)

zijn opstelling

75.

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?


Zou u mij een bord spaghetti willen opscheppen?

a)

u

b)

mij

c)

een bord spaghetti

d)

willen opscheppen

76.
Water naar de zee dragen
a)
Iets doen waar je tegenop ziet
b)
Overbodig werk doen
c)
Iets heel gemakkelijk kunnen doen
d)
Heel hard gillen
77.

De..... uit de boom kijken.

a)

Koe

b)

Hond

c)

Kat

d)

Vogel

78.

De appel valt niet ver van de.....

a)

toren

b)

boom

c)

brug

d)

struik

79.

Welk spreekwoord wordt hier uitgebeeld?

(a)  

80.
de kat uit de boom kijken
a)
afwachten
b)
je vervelen
c)
slapen
d)
stoppen
81.
de kat uit de boom kijken
a)
spreekwoord
b)
uitdrukking
82.
Men moet een gegeven paard niet in de bek kijken. 
a)
Je moet commentaar hebben op een gekregen cadeau. 
b)
Je moet niet veel kritiek hebben op een cadeau. 
c)
Wanneer je een cadeau krijgt, moet je tevreden zijn. 
83.
Men moet een gegeven paard niet in de bek kijken. 
a)
spreekwoord
b)
uitdrukking 
84.
water naar de zee dragen
a)
spreekwoord
b)
uitdrukking
85.

Zijn jullie de voorbije maanden al naar een horrofilm gaan kijken?

a)

nwg

b)

wwg

c)

lv

d)

mv

86.

De film 'IT' bezorgde mij een slapeloze nacht.

a)

nwg

b)

wwg

c)

lv

d)

mv

87.

Ben je al vaak bang geweest tijdens series of films?

a)

nwg

b)

wwg

c)

lv

d)

mv

88.

Om mijn stress onder controle te houden, eet ik dan popcorn.

a)

nwg

b)

wwg

c)

lv

d)

mv

89.

De film 'IT' bezorgde mij een slapeloze nacht.

a)

nwg

b)

wwg

c)

lv

d)

mv

90.

Mijn beste vriend houdt van enge films. Ik gaf hem daarom een dvd-box met horrorfilms.

a)

nwg

b)

wwg

c)

lv

d)

mv

91.

Nodigde jij je vrienden al uit?

a)

mv

b)

wed. vn.

c)

lv

d)

adpv

92.

Wat is het nwd in deze zin?

Ik ben nog nooit zo bang geweest als tijdens de film IT.

(a)  

93.

Waaruit bestaat het wwg in deze zin?

Ik kijk er al naar uit om me opnieuw te verstoppen onder een deken tijdens de volgende film.

a)

pv + adpv + vd

b)

pv + wed. vn. + inf.

c)

pv + adpv + wed. vn. + te + inf.

d)

pv + inf. + wed. vn. + mv

94.

Heb je de afgelopen week genoeg geslapen?

a)

WWG

b)

NWG

95.

Ben jij een moeilijke slaper?

a)

WWG

b)

NWG

96.

Twee derde van de volwassenen krijgt niet de aanbevolen acht uur slaap per nacht.

a)

WWG

b)

NWG

97.

Dat verbaast je waarschijnlijk niet.

a)

WWG

b)

NWG

98.

De gevolgen zijn verrassend.

a)

WWG

b)

NWG

99.

Vul de zin aan met een schooltaalwoord.


Je mag je lievelingsliedjes opsommen in (a)   volgorde.

100.

Vul de zin aan met een schooltaalwoord.


Ik begrijp de opdracht niet. Kun je ze even (a)   ?

101.

Vul de zin aan met een schooltaalwoord.


In welke historische periode (a)   we het verbranden van heksen?

102.

Vul de zin aan met een schooltaalwoord.


Die tekenaar maakt erg (a)   tekeningen. Ze lijken net een foto.

103.

Vul de zin aan met een schooltaalwoord.


Als de pijn niet snel overgaat, (a)   je best een dokter.

104.

Vul de zin aan met een schooltaalwoord.


Ik was heel zenuwachtig tijdens de (a)   van mijn boek.

105.

Vul de zin aan met een schooltaalwoord.


Ik hou niet van knutselen, want ik ben absoluut niet (a)   .

106.

Vul de zin aan met een schooltaalwoord.


Na een lange wandeltocht, (a)   we eindelijk de top.

107.

Vul de woordfamilie aan.


realiseren ➡️ de (a)  

108.

Vul de woordfamilie aan.


controleren ➡️ de (a)  

109.

Vul de woordfamilie aan.


controleren ➡️ de (a)   beweging