wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4V ecologie en evolutie

Total questions: 23

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een biotische factor in een sloot?

a)

Stroming

b)

Algendichtheid

c)

Temperatuur van het water

d)

Zoutgehalte

2.

De korenwolf (hamsterachtige) eet granen, het is een consument

a)

van de eerste orde en van het 1e trofisch niveau

b)

van de eerste orde en van het 2e trofisch niveau

c)

van de tweede orde en van het 2e trofisch niveau

d)

van de tweede orde en van het 3e trofisch niveau

3.

In een populatie korenwolven heeft 25% een licht vacht. Dit allel is recessief. Wat is de allelfrequentie van q? (Hardy-Weinberg)

a)

0,125

b)

0,25

c)

0,5

d)

0,75

4.

Waarom is het moeilijk te bepalen of bacteriën van dezelfde soort zijn?

a)

Ze lijken allemaal op elkaar

b)

Hun DNA is bijna gelijk

c)

Ze hebben allemaal een celwand van peptidoglycaan

d)

Ze planten zich ongeslachtelijke voort

5.

Welke afkorting staat voor de productie van de consumenten van de 1e orde - hun eigen dissimilatie

a)

BPP

b)

NPP

c)

BSP

d)

NSP

6.

Smal waterweegbree (Alisma gramineum) en slank waterweegbree (Alisma lanceolatum) zijn van de/hetzelfde

a)

ras

b)

soort

c)

geslacht

d)

familie

7.

Wat is allopatrische soortvorming?

a)

Als groepen van dezelfde soort van elkaar worden geïsoleerd door een rivier

b)

Als groepen van dezelfde soort van elkaar worden geïsoleerd door een verschillend dagritme

c)

Als groepen van dezelfde soort van elkaar worden geïsoleerd door verschillende baltsdansen

d)

Als groepen van dezelfde soort van elkaar worden geïsoleerd door een verschillend voedingspatroon

8.

Waarom komen er geen grote predatoren voor op kleine eilanden?

a)

De mens roeit deze vaak snel uit wanneer ze op een eiland komen

b)

Door evolutie passen dieren zich aan hun omgeving aan

c)

Grote dieren overleven vaak de overtocht naar een eiland niet

d)

Er is onvoldoende voedsel beschikbaar

9.

De zogenaamde 'mierenmoeder' is een slang die in mierennesten leeft. De slang heeft hierdoor een lekker warme plek om te rusten en jaagt ondertussen andere mierenetende slangen weg. Dit is een vorm van:

a)

Parasitisme

b)

Commensalisme

c)

Mutualisme

d)

Predatie

10.

Waardoor wordt de piramide van biomassa NIET kleiner per schakel?

a)

Afgestorven delen

b)

Predatie

c)

Dissimilatie

d)

Uitwerpselen

11.

Bekijk de afbeelding. In welke periode zijn de eerste reptielen ontstaan?

a)

het tertiair

b)

het jura

c)

het carboon

d)

het perm

12.
 ..... zijn organen met hetzelfde bouwplan waarvan de oorspronkelijk functie door veranderende omstandigheden in de loop van de evolutie zijn aangepast
a)
analoge organen
b)
homologe organen
c)
rudimentaire organen
13.
Welke verklaring geeft het beste het verschil aan tussen de theorie van Lamarck en het begrip natuurlijke selectie dat Darwin gebruikte?
a)
Volgens de theorie van Lamarck wordt evolutie gestuurd, en natuurlijke selectie is ongestuurd.
b)
Lamarck dacht aangeleerde vaardigheden erfelijk waren en natuurlijke selectie gaat ervan uit dat dat onmogelijk is.
c)
Vroeger vond evolutie plaats zoals Lamarck dacht en nu vindt natuurlijke selectie plaats.
d)
Er is geen verschil, Darwin leefde alleen later dan Lamarck
14.
Welke van de volgende ideeën hebben de evolutietheorieën van Darwin als Lamarck gemeenschappelijk?
a)
Adaptatie is het resultaat van interactie tussen een organisme en zijn omgeving.
b)
Adaptatie is het resultaat van het gebruiken of niet gebruiken van een anatomische structuur.
c)
Onderzoek naar fossielen geeft aan dat soorten onveranderlijk zijn.
d)
Evolutie drijft een organisme naar een grotere complexiteit.
15.
Welke van de onderstaande omschrijvingen van een proces geeft of welke geven een juiste omschrijving van (een deel van) het begrip natuurlijke selectie?
1. Een proces dat het verdwijnen van soorten met ongunstige genen bevordert.
2. Een proces waardoor genfrequenties veranderen onder invloed van veranderende milieufactoren.
a)
Geen van beide omschrijvingen
b)
Alleen omschrijving 1
c)
Alleen omschrijving 2.
d)
Zowel omschrijving 1 als omschrijving 2.
16.

Aan welke voorwaarden voldoet een goed-opgesteld voedselweb?

a)

De pijlen volgen de richting van de voedselstromen

b)

Er staat altijd een producent in

c)

Benoem soortsnamen (zoals genoemd in de opgave)

d)

De pijlen moeten recht zijn

e)

Er mogen groepen genoemd worden

17.

Van welk type samenleven is er sprake bij jou en jouw darmflora?

a)

symbiose

b)

concurrentie

c)

commensalisme

d)

mutualisme

e)

parasitisme

18.

Aan vier leerlingen wordt gevraagd een voorbeeld te noemen van een ecosysteem. Zij geven de volgende voorbeelden:

Leerling 1: alle abiotische factoren in een bepaald heidegebied.

Leerling 2: alle dieren die in Nederland leven, in samenhang met de plantengroei.

Leerling 3: alle eekhoorns in een loofbos, in samenhang met de bomen.

Leerling 4: alle organismen die in een bepaald meertje leven, in samenhang met de abiotische factoren.


Welke leerling geeft een juist voorbeeld?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

Geen enkele leerling

19.
Men wil van een populatie van een bepaalde diersoort het aantal individuen schatten. Men vangt 200 exemplaren en merkt deze. Daarna worden ze vrijgelaten. Na een tijdje worden weer 200 dieren gevangen. Hiervan zijn er 40 gemerkt. Op grond hiervan kan worden berekend dat de populatie uit ongeveer 1000 individuen bestaat. Bij deze berekening wordt ervan uitgegaan dat het voor de vangkans niet uitmaakt of een dier al eerder is gevangen of niet. In werkelijkheid laten dieren van deze soort die al een keer zijn gevangen, zich niet meer zo gemakkelijk opnieuw vangen.
Wat betekent dit voor het werkelijke aantal dieren waaruit deze populatie bestaat?
a)
Die is zeer waarschijnlijk kleiner dan 1000.
b)
Die is zeer waarschijnlijk groter dan 1000.
c)
Die kan met evenveel kans groter of kleiner zijn dan 1000.
20.
Dalkruid kan zich wel handhaven onder bomen en struiken en Gewoon vingerhoedskruid niet. Daarvoor zijn verschillende oorzaken die met elkaar samenhangen.
Welke van de volgende beweringen geeft één van die oorzaken juist weer?
a)
Dalkruid heeft een hoger optimum voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.
b)
Dalkruid heeft een hogere maximum tolerantiegrens voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.
c)
Dalkruid heeft een lagere minimum tolerantiegrens voor de hoeveelheid licht dan Gewoon vingerhoedskruid.
21.

Er is volop leven in de diepzee, maar plantaardige organismen komen daar niet voor. Dat er wel andere levensvormen voorkomen, is meestal een gevolg van een continue voedselstroom van afgestorven organismen uit hogere lagen. Soms is er echter sprake van een volledig voedselweb. In de zogenaamde 'black smokers' bij Papoea-Nieuw-Guinea komen autotrofe bacteriën voor. Smokers zijn grote kegelvormige bergen van zwavelverbindingen op de bodem van de zee, waaruit oververhit water van 300 °C omhoog spuit onder een druk van 265 atmosfeer. De genoemde autotrofe bacteriën zijn in staat om bepaalde mineralen (bijvoorbeeld sulfiden/zwavelverbindingen), die in water in flinke hoeveelheden oplossen, te oxideren. Hierbij komt energie vrij die benut wordt voor de opbouw van organische moleculen.

Welke ecologische rol spelen de in de tekst genoemde bacteriën?

a)

consumenten van de 1e orde

b)

producenten

c)

reducenten

d)

consumenten van de 2e orde

22.
In het Andesgebergte in Colombia vind je verschillende vegetatiezones. Van laag naar hoog: tropisch bos, bergbos, struikpáramo (een zone met voornamelijk struikgewas) en ten slotte páramo (een soort alpenweide zonder bomen en struiken). Daarboven is geen vegetatie meer, maar bevindt zich eeuwige sneeuw. 
Welke abiotische factor is vooral verantwoordelijk voor het opschuiven van de verschillende vegetatiezones in de Andes?
a)
temperatuur
b)
water
c)
wind
d)
licht
23.

Door klimaatverandering wordt het in veel gebieden warmer. Wat doet dit met het tolerantiegebied van soorten?

a)

Niks, het tolerantiegebied is soorteigen en blijft gelijk.

b)

Het tolerantie gebied wordt breder, zodat de soort een grotere overlevingskans heeft.

c)

Het tolerantiegebied schuift mee, zodat de soort in hetzelfde gebied kan blijven leven

d)

Het tolerantiegebied verschuift de andere kant op, aangezien de soort het toch niet overleeft.