wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhalingsquiz derde trimester

Total questions: 30

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Hoe heette de eerste graaf van Vlaanderen die de dochter van de koning had ontvoerd?

a)

Godfried Van Bouillon

b)

Jan Van Eyck

c)

Fulcher Van Chartres

d)

Boudewijn met de IJzeren Arm

2.

Op welk document werden de voorrechten van de steden opgeschreven?

a)

een volder

b)

een keure

c)

een oligarchie

d)

een hanze

3.

Hoe noemen we deze kaart?

a)

een T-kaart

b)

een B-kaart

c)

een K-kaart

d)

een P-kaart

4.

Wat hebben de kruisvaarders niet geleerd van de Arabieren?

a)

het drieslagstelsel

b)

algebra

c)

de fregat (een soort schip)

d)

onze cijfers

5.

Welk economische gevolgen hadden de kruistochten?

a)

de vrouwen krijgen meer macht

b)

de handel van luxeproducten gaat verder door

c)

er ontstaat haat tegenover de Islamieten

d)

de Arabieren hadden veel invloed op de Europese cultuur

6.

Waar in het huidige Brugge bevond zich de burcht van Boudewijn?

a)

op de markt

b)

op de burg (waar nu het stadhuis is)

c)

waar nu de Onze-Lieve-Vrouwekerk is

d)

op de plaats van de Ezelpoort

7.

Op welke plek in de stad maakte men de markt?

a)

de drukste plek

b)

de laagste plek

c)

de plek die ze over hadden

d)

de hoogste plek

8.

Waar bewaarden de middeleeuwers hun keure of charter?

a)

In het stadhuis

b)

In de belangrijkste kerk van de stad

c)

in het belfort

d)

in de burcht van de heer

9.

De heer had ook een vertegenwoordiger in de stad. Die had verschillende namen. Welke naam past hier niet?

a)

schout

b)

oligarchie

c)

meier

d)

baljuw

10.

Wat bedoelen we met het woord 'oligarchie'?

a)

De kleinste groep regeert over de anderen.

b)

Er is maar één persoon die de macht heeft.

c)

De bevolking kon stemmen voor de machthebbers.

d)

Enkel de koning had de macht.

11.

Hoe noemde men de rijke handelaars in de middeleeuwse steden?

a)

het gemeen

b)

neringdoeners

c)

patriciërs

d)

ambachtslieden

12.

In welke groepen verenigden deze rijke kooplieden zich?

a)

in ambachten

b)

gezellen

c)

gilden

d)

portalen

13.

Welk ander woord kennen we voor de ambachtslieden en de bedelaars in de middeleeuwse steden?

a)

de patriciërs

b)

de absis

c)

het gemeen

d)

fresco's

14.

Met welke streek had Brugge een verbinding naar de Noordzee?

a)

met het Schipdonkkanaal

b)

via Oostende

c)

met de Schelde

d)

met het Zwin

15.

Langs welke Brugse poort konden de schepen de binnenstad in gaan?

a)

de Gentpoort

b)

de Boeveriepoort

c)

de Dampoort

d)

de Ezelpoort

16.

Wat kon je niet kopen op de jaarmarkt?

a)

jachtvalken uit Noorwegen

b)

steenkool uit Engeland

c)

pels van de sabelmarter uit Bulgarije

d)

brood

17.

Bij wie kon je een ambacht leren?

a)

bij een gezel

b)

bij een leerjongen

c)

bij een leermeester

d)

bij een gilde

18.

Welke proef moest je afleggen om een meester te worden?

a)

een werkproef

b)

een leerproef

c)

een meesterproef

d)

een plaatsproef

19.

Welke twee grote taken hadden de ambachten in de middeleeuwen?

a)

de prijzen en kwaliteit van de producten bewaken

b)

de meesterproeven centraal beoordelen

c)

de rechten van de werknemers bewaken

d)

producten verkopen aan buitenlandse handelaars

20.

Op welk Brugs plein ontstond de eerste beurs ter wereld?

a)

de Markt

b)

de Burg

c)

op de hoek Academiestraat en Vlamingstraat

d)

het Minnewater

21.

Hoe noemt men dit soort huizen in de middeleeuwse steden?

a)

godshuizen

b)

kraaghuizen

c)

rookhuizen

d)

achterhuizen

22.

Hoe noemt men dit?

a)

weven

b)

vollen

c)

ruwen

d)

spinnen

23.

Hoe noemt men de vereniging van middeleeuwse handelssteden?

a)

portalen

b)

kapitelen

c)

hanzen

d)

poortersloge

24.

Welk ander woord kennen we voor de dwarsbeuk van de kerk?

a)

apsis

b)

transept

c)

tongewelf

d)

kapiteel

25.

Waar of niet waar? In de Romaanse kunst zijn de kunstenaars vooral anoniem.

a)

niet waar

b)

waar

26.

Hoe noemen we deze constructie?

a)

tongewelf

b)

kruisgewelf

c)

kruisribgewelf

d)

vieringtoren

27.

Welke drie kenmerken had de Romaanse kunst?

a)

kleine ramen

b)

veel versieringen

c)

dikke muren

d)

spitse torens

28.

Hoe noemt men zo'n schilderij?

a)

miniatuur

b)

fresco

c)

portaal

d)

kapiteel

29.

Hoe noemt men de constructie buiten de kerk die de muren moet ondersteunen?

a)

pilaren

b)

portaal

c)

kruisribgewelf

d)

steunberen

30.

Welke elementen horen bij de gotische kunst?

a)

stedelijk

b)

beschermend

c)

veel versiering

d)

skeletbouw

e)

pronkend