wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3 Basis leesvaardigheid 3-5

Total questions: 15

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Bij een overtuigende tekst

a)

geef jij als lezer je mening

b)

geeft de schrijver zijn mening

c)

is de mening niet belangrijk

d)

zijn alleen de feiten belangrijk

2.

In de inleiding van een overtuigende tekst

a)

staan alleen feiten en verder niets

b)

staat alleen een mening en verder niets

c)

worden argumenten uitgelegd

d)

geeft de schrijver zijn mening en wordt het 'probleem' geïntroduceerd/

3.

In de kern van een overtuigende tekst...

a)

staan de argumenten uitgelegd

b)

wordt de mening ven de schrijver herhaald

c)

herhaalt de schrijver zijn standpunt of mening

d)

gebruikt de schrijver nooit meer dan één alinea

4.

In het slot van een overtuigende tekst

a)

komen allerlei nieuwe standpunten aan bod

b)

worden argumenten uitgelegd

c)

wordt de mening van de schrijver geïntroduceerd

d)

herhaalt de schrijver zijn standpunt of mening

5.

Welk van de onderstaande signaalwoorden geeft een voorbeeld aan?

a)

dan ook

b)

kortom

c)

bijvoorbeeld

d)

want

6.

Welk van de onderstaande signaalwoorden geeft een conclusie aan?

a)

kortom

b)

zo

c)

zoals

d)

omdat

7.

Welk van de onderstaande signaalwoorden geeft een reden aan?

a)

zoals

b)

kortom

c)

dus

d)

vanwege

8.

De hoofdgedachte van een tekst vind je door....

a)

de vraag te stellen: "waar gaat de tekst over?"

b)

de vraag te stellen: "wat schrijft de schrijver over het onderwerp?"

c)

te kijken naar tussenkopjes / deeltitels

d)

te kijken wat de bron van de tekst is

9.

Een voorbeeld van een informatieve tekst is

a)

een betoog

b)

een recensie

c)

een schoolboek

d)

een stripverhaal

10.

Wat wordt bij een instructie niet gebruikt?

a)

de mening van de schrijver

b)

grafieken

c)

afbeeldingen

d)

de bron van de tekst

11.

Bij een activerende tekst....

a)

wil de schrijver dat de lezer niets gaat doen

b)

wil de schrijver dat je zijn mening overneemt

c)

wil de schrijver de lezer informatie geven

d)

wil de schrijver de lezer vermaken

12.

Een voorbeeld van een activerende tekst is een:

a)

betoog

b)

filmrecensie

c)

nieuwsbericht

d)

uitnodiging voor een verjaardagsfeestje

13.

Aan de opmaak van een tekst zie je ....

a)

vaak snel wat voor soort tekst het is

b)

nog niet wat voor tekst het is

c)

waar een tekst vandaan komt

d)

wat voor tekstdoel de tekst heeft

14.

Waarbij gaat het niet om een opmaakelement?

a)

kaders

b)

witregels

c)

gebruik van vette of cursieve letters

d)

de bron

15.

Noem zelf drie voorbeelden van een opmaakelement.

4 lines