wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Waarnemen en gedrag

Total questions: 25

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.
In je oog gaat het licht achtereenvolgens door:
a)
Pupil - hoornvlies - lens - glasachtig lichaam - netvlies
b)
Hoornvlies - lens - pupil - glasachtig lichaam - netvlies
c)
Hoornvlies - pupil - lens - glasachtig lichaam - netvlies
d)
Hoornvlies - pupil - lens - netvlies - glasachtig lichaam
2.
De pupil wordt kleiner door het samentrekken van spieren in de iris. In de iris bevinden zich kringspieren en lengtespieren.
Door het samentrekken van welke spieren wordt de pupil kleiner?
a)
alleen door het samentrekken van kringspieren
b)
alleen door het samentrekken van lengtespieren
c)
door het samentrekken van kringspieren en door het samentrekken
van lengtespieren
3.
Twee delen van het oog zijn het hoornvlies en het glasachtig lichaam. Welke delen zijn doorzichtig?
a)
Geen van beide
b)
Hoornvlies
c)
Glasachtig lichaam
d)
Zowel het hoornvlies als het glasachtig lichaam
4.

Bijen reageren op de geur van suikerwater door hun opgerolde tong uit te steken. Onderzoekers in de Verenigde Staten hebben bijen blootgesteld aan de geur van bepaalde explosieven en ze tegelijk suikerwater gegeven. Na enkele uren hadden de bijen geleerd hun tong uit te steken als ze de explosieven roken, ook als ze geen suikerwater kregen. Zulke getrainde bijen hoopt men in de toekomst te kunnen gebruiken om bijvoorbeeld bommen op te sporen.Hoe wordt de beschreven vorm van leren genoemd?

a)

conditionering

b)

inprenting

c)

trial and error

5.

Zanglijsters zijn dol op huisjesslakken. Ze zijn niet sterk genoeg om het slakkenhuis met de snavel open te breken. De lijster pakt met de snavel een slak bij de rand van de opening van het huis en mept daarmee net zo lang op een steen tot het huis breekt. Een bepaalde zanglijster ziet herhaalde malen hoe andere zanglijsters deze aambeeldtechniek uitvoeren, maar neemt de techniek niet over.


Welk leerproces ontbreekt in dit geval bij deze zanglijster?

a)

gewenning

b)

imitatie

c)

inprenting

d)

trial and error

6.

Twee stekelbaarsjesmannetjes bevinden zich op de grens van hun territorium. Ze vertonen allebei afwisselend aanvals- en vluchtgedrag. Plotseling gaat één van de vissen zandhappen. Dit zandhappen doet het mannetje bij het bouwen van een nest.


Hoe noem je dit gedrag in deze situatie?

a)

ambivalent gedrag

b)

overspronggedrag

c)

omgericht gedrag

7.

Een onderzoeker wil de ooglidreflex van het linkeroog bij een proefpersoon conditioneren. Zij heeft de beschikking over een blaasbalgje waarmee zij lucht in het oog kan blazen en een zaklantaarntje, waarmee zij lichtflitsen kan geven. Het is de bedoeling dat het linkeroog van de proefpersoon geconditioneerd wordt op de lichtflits.


In welke volgorde moet zij het luchtstootje en de lichtflits aanbieden?

a)

eerst de lichtflits, dan de luchtstoot

b)

eerst de luchtstoot, dan de lichtflits

c)

lichtflits en luchtstoot tegelijkertijd

8.

Bij chimpansees komt regelmatig kindermoord voor. Een man doodt dan een of meer jongen in de groep. De wetenschapper Sarah Blaffer Hrdy uitte de veronderstelling dat de evolutionaire achtergrond van dit gedrag is dat een man de jongen die niet van hem zijn, uitschakelt. Zijn genen hebben dan meer kans zich in de populatie te handhaven.


Hoe noemt men deze veronderstelling van Sarah Blaffer Hrdy?

a)

conclusie

b)

hypothese

c)

resultaat

d)

waarneming

9.

Geluiden, geuren en kleuren kunnen prikkels zijn die bij dieren leiden tot bepaald gedrag.


Welke van deze prikkels kunnen een rol spelen bij het voortplantingsgedrag van dieren?

a)

alleen geluiden en geuren

b)

alleen geluiden en kleuren

c)

alleen geuren en kleuren

d)

zowel geluiden, als geuren en kleuren

10.

Chimpansees behouden hun plaats in de rangorde van de groep meestal met dreiggedrag. Heel soms zijn er korte gevechten, maar meestal blijft agressief gedrag beperkt tot rituelen.


Waarom vechten chimpansees niet vaker?

a)

Chimpansees zijn het grootste deel van de dag bezig met paringen, ze hebben geen tijd voor gevechten.

b)

Chimpansees zijn te druk met het zoeken van voedsel om veel te vechten.

c)

Dominante vrouwtjes bewaren de rust in de groep en voorkomen geweldsuitbarstinge

d)

Natuurlijke selectie bevordert gedrag dat verwondingen en energieverspilling voorkomt

11.

Elk varken heeft in zijn snuit een zogenaamde wroetschijf. Met deze schijf, die veel zintuigen bevat, onderzoekt het dier in een natuurlijke omgeving de grond. Hij zoekt naar voedsel, maar in een hok met een roostervloer valt niet veel te onderzoeken. Een varken begint dan bij een soortgenoot te wroeten en te knabbelen. Het knabbelen gaat over in bijten in de staart. Proeft een varken eenmaal bloed, dan ontstaat jachtgedrag dat typisch is voor varkens, want varkens eten ook vlees. Een aangevreten varken wordt nagejaagd en nog verder aangevreten.


Tot welk soort gedrag behoort het wroeten?

a)

tot territoriumgedrag

b)

tot verzorgingsgedrag

c)

tot fourageergedrag

d)

tot voortplantingsgedrag

12.

Spreeuwenjongen die pas uit het ei gekomen zijn, hebben hun ogen nog dicht.

Wanneer een ouder op het nest landt, sperren ze onmiddellijk hun bek open.


Wat is de uitwendige prikkel voor dit gedrag van de spreeuwenjongen?

a)

honger

b)

het bewegen van het nest

c)

het ruiken van een worm

d)

het zien van hun ouder

13.

Na het uitkomen van de eieren leren de jonge eendjes dat de kip hun ‘moeder’ is.


Hoe wordt deze vorm van leren genoemd?

a)

conditionering

b)

gewenning

c)

inprenten

d)

trial and error

14.

Welke van de onderstaande gedragingen is aangeboren?

a)

Een stekelbaars valt een houten blokje met een rode onderkant aan

b)

Een hamster komt elke avond op dezelfde tijd in actie

c)

Een vogel komt elk jaar terug naar dezelfde broedplaats op hetzelfde eiland

d)

Een roodborstje eet een onsmakelijk insect, spuugt het uit en eet er nooit meer een

e)

Een wolf vindt zijn prooi door het geurspoor te volgen

15.

Mieren dragen dode mieren de mierenhoop uit en brengen de dode mieren naar een afvalhoop. Wanneer een levende mier wordt ingesmeerd met resten van dode mieren, dragen andere mieren dit diertje steeds weer onder verzet van het slachtoffer naar de afvalhoop tot het smeerseltje er helemaal vanaf is.


Welke van de volgende antwoorden biedt de beste verklaring voor dit gedrag?

a)

Mieren kunnen alleen leren door operante conditionering

b)

Het smeersel zet een uitstotingsreactie in gang

c)

De mieren krijgen na verloop van tijd allemaal wat van het smeersel op hun eigen lijf

d)

De mieren gaan door met dit gedrag tot er gewenning optreedt

e)

Het smeerseltje is een sleutelprikkel voor een aangeboren gedragsketen

16.

Zilvermeeuwen rollen eieren die uit het nest zijn gerold, terug in het nest. Bij onderzoek is gebleken dat zij namaakeieren, die wel twintig maal zo groot zijn als de eigen eieren eerder in het nest rollen dan de eigen eieren. De namaakeieren hebben hetzelfde kleurpatroon als de eigen eieren.

Naar aanleiding van deze gegevens worden de volgende beweringen gedaan


1 Het grote namaakei is een sleutelprikkel voor het inrolgedrag, het normale eigen ei niet.

2 Het grote namaakei is een motiverende factor voor het inrolgedrag, het eigen ei niet.

3 Bij het inrolgedrag is sprake van een leerproces door inprenting.


Welke van deze beweringen is juist?

a)

geen

b)

1

c)

2

d)

3

17.

De Engelse onderzoeker Huxley beschreef het gedrag van futen. Hij nam onder andere de zogenaamde pinguïndans waar. De mannelijke en vrouwelijke partner zwemmen daarbij met de hals over het water gestrekt op elkaar af, met nestmateriaal (waterplanten) in de snavel. Dan rijzen ze al watertrappelend borst aan borst omhoog uit het water (zie bron).


Tot welk type sociaal gedrag behoort de pinguïndans?

a)

tot balts

b)

tot broedzorg

c)

tot territoriumgedrag

18.

Bij een onderzoek naar het gedrag van ratten wordt een rat geplaatst in een speciale kooi, de Skinner-box (zie afbeelding). In deze kooi zit een hefboom. Wanneer de rat daarop drukt, komt er een brokje voedsel te voorschijn. Na verloop van tijd kan de rat die hefboom bedienen. Wanneer een rat voor het eerst in een Skinner-box wordt geplaatst, kan het uren duren voordat hij toevallig op de hefboom drukt.


Van welk type leerproces is sprake bij de rat in de Skinnerbox?

a)

van conditionering

b)

van gewenning

c)

van imitatie

d)

van inprenting

e)

van inzicht

19.

Koekoeken zijn broedparasieten. Dat wil zeggen dat het vrouwtje een ei legt in het nest van een andere soort, bijvoorbeeld van een roodborstje. De eieren of kleine jongen van deze andere vogelsoort worden door de pasgeboren, nog blinde koekoek uit het nest geduwd (bron 1, links). De vogel die het nest heeft gemaakt, treedt daarna op als pleegouder voor de jonge koekoek (bron 1, rechts). Een koekoek-vrouwtje legt haar eieren altijd in nesten van de pleegoudersoort waardoor zij zelf is grootgebracht.


Door welk leerproces leren koekoeken welke soort als hun pleegouder is opgetreden?

a)

door conditionering

b)

door gewenning

c)

door imitatie

d)

door inprenting

20.

Marsupilami's


Bij de marsupilami's bouwen een mannetje en een vrouwtje samen een nest waarin drie eieren worden gelegd die na 20 dagen, vlak na elkaar, uitkomen. De eerder uitgekomen jongen helpen het laatste jong bij het uit het ei komen.

Waardoor wordt dit helpen van de jongen hoofdzakelijk bepaald?

a)

door erfelijke factoren

b)

door inprenting

c)

door trial and error

21.

Samenhangende handelingen van een dier worden ondergebracht in gedragssystemen, bijvoorbeeld baltsgedrag, conflictgedrag, sociaal gedrag of territoriumgedrag.


Tot welk van de genoemde gedragssystemen behoort dit speelgedrag?

a)

baltsgedrag

b)

conflictgedrag

c)

sociaal gedrag

d)

territoriumgedrag

22.

Edelherten leven in roedels. Een roedel bestaat uit herten van verschillende leeftijden. Een oud en ervaren vrouwtjeshert, de leidhinde, heeft de leiding over de roedel. Edelherten leren verstoringen te vermijden. Nadat in het verleden een paar keer op de leidhinde geschoten is, vlucht ze als ze de aanwezigheid van mensen bespeurt en de roedel volgt haar dan. Na verloop van tijd vermijden alle herten in de roedel deze verstoringen.


Op welk type leerproces berust het vluchtgedrag van de leidhinde? En op welk dat van de andere herten?

a)

bij de leidhinde op conditionering, bij de andere herten op gewenning

b)

bij de leidhinde op conditionering, bij de andere herten op imitatie

c)

bij de leidhinde op gewenning, bij de andere herten op imitatie

d)

zowel bij de leidhinde als bij de andere herten op gewenning

23.

Een parasiet knoeit met de psyche


De eencellige parasiet Toxoplasma gondii komt bij één op de drie mensen voor in het zenuwstelsel en in de spieren. Daar kan de parasiet jarenlang verblijven, zonder duidelijke ziekteverschijnselen te veroorzaken. De parasiet komt binnen via besmet vlees of besmette vis. Ook veel muizen zijn besmet. Besmette muizen blijken zich actiever en minder voorzichtig te gedragen dan niet-besmette muizen. De Tsjech Jaroslav Flegr beweerde dat deze gedragsverandering door Toxoplasma wordt veroorzaakt.


Welke term wordt gebruikt voor Flegrs bewering?

a)

hypothese

b)

onderzoeksvraag

c)

probleemstelling

d)

theorie

24.

Een bepaalde zanglijster ziet herhaalde malen hoe andere zanglijsters de aambeeldtechniek uitvoeren, maar neemt deze techniek niet over.


Welk leerproces ontbreekt in dit geval bij deze zanglijster?

a)

gewenning

b)

imitatie

c)

inprenting

d)

trial-and-error

25.

In het voorjaar komen grote groepen mannetjes van de groene kikker (Rana esculenta L.) bij elkaar die twee keer per dag, 's morgens en 's avonds, oorverdovend kwaken. Dit zijn de "kikkerkoren".


Tot welk soort gedrag behoort het kwaken van kikkers in kikkerkoren?

a)

alleen balts

b)

alleen territoriumgedrag

c)

zowel balts als territoriumgedrag