wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefenen hoofdstuk 1, 3, 4 en 5 (GT)

Total questions: 36

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Een ander woord voor levend wezen is...

a)

Organisme

b)

Orgaan

c)

Dieren

d)

Bioten

2.

Welk levenskenmerk past bij dit plaatje?

a)

Voeden

b)

Groeien

c)

Ademen

d)

Uitscheiden

e)

Reageren

3.

Een paard en ezel zijn twee verschillende soorten omdat...

a)

Ze er te verschillend uit zien

b)

Ze geen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen

c)

Ze helemaal geen babies kunnen krijgen

4.

Tot welke groep van het dierenrijk behoort dit organisme?

a)

Eencellige

b)

Sponzen

c)

Holtedieren

d)

Stekelhuidigen

e)

Weekdieren

5.

Kruis de onderdelen die in een dierlijke cel te vinden zijn aan

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Celmembraan

d)

Bladgroenkorrels

e)

Vacuole

6.

Kruis de onderdelen die in een schimmel cel te vinden zijn aan

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Celmembraan

d)

Bladgroenkorrels

e)

Vacuole

7.

Kruis de onderdelen die in een planten cel te vinden zijn aan

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Celmembraan

d)

Bladgroenkorrels

e)

Vacuole

8.

Kruis de onderdelen die in een bacterie cel te vinden zijn aan

a)

Celkern

b)

Celwand

c)

Celmembraan

d)

Bladgroenkorrels

e)

Zweepharen

9.

Planten kunnen zelf hun eigen energierijke stoffen maken door het opnemen van water, zonlicht en CO2. Hoe noem je dit proces?

a)

Celdeleing

b)

Fotosynthese

c)

Elektroforese

d)

Verbranding

10.

Wat zijn biotische factoren?

a)

Levende factoren

b)

Niet levende factoren

11.

Mineralen (zouten) horen bij de fotosynthese

a)

Waar

b)

Niet waar

12.

Welke letter geeft type kies aan dat een schaap heeft?

a)

Letter Q

b)

Letter R

c)

Letter S

13.

Met deze letter wordt het orgaan aangegeven dat als functie 'voortplanten' heeft.

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

14.

Wat is de juiste formule voor fotosynthese?

a)

koolstofdioxide + zuurstof + zonlicht --> glucose + water

b)

water + zuurstof + zonlicht --> glucose + koolstofdioxide

c)

water + koolstofdioxide --> glucose + zuurstof

d)

koolstofdioxide + water + zonlicht --> glucose + zuurstof

15.

Wat is de juiste formule voor verbranding?

a)

glucose + zuurstof --> energie + koolstofdioxide + water

b)

glucose + koolstofdioxide --> energie + zuurstof + water

c)

water + koolstofdioxide --> energie + zuurstof + glucose

d)

water + zuurstof --> energie + koolstofdioxide + glucose

16.

Hoe noemen we de groene planten in een voedselketen?

a)

Consumenten

b)

Reducenten

c)

Producenten

d)

Afvaleters

17.

In deze voedselketen is het koolmeesje...

a)

een producent.

b)

een consument van de eerste orde.

c)

een consument van de tweede orde.

d)

een consument van de derde orde.

18.

Welke van onderstaande factoren is biotisch?

a)

Reducenten

b)

Bodemvochtigheid

c)

Waterdiepte

d)

Grondsoort

19.

Wat is een voedselweb?

a)

Een reeks van eten en gegeten worden.

b)

Alle biotische factoren in een ecosysteem.

c)

Alle voedselrelaties in een ecosysteem.

20.
Iets waar je zintuigen op reageren heet een ...
a)
Impuls
b)
Seintje
c)
Prikkel
d)
Zenuw
21.

Welke zintuigen zitten in de huid?

a)

Tast, druk, warmte, koude en pijn

b)

Tast, druk, warmte, koude en gehoor

c)

Warmte, koude, zicht en pijn

d)

Smaak en reuk

22.

Wat is het verschil tussen een bewuste reactie en een onbewuste reactie (reflex)?

a)

Bij een reflex voel je eerst de pijn en daarna maak je de beweging

b)

Bij een reflex maak je eerst de beweging en daarna voel je pas de pijn

23.

Bij welk type zenuwcel ligt alleen het cellichaam in het centrale zenuwstelsel?

a)

Bij een schakelcel

b)

Bij een gevoelszenuwcel

c)

Bij een bewegingszenuwcel

d)

Bij geen van bovenstaande

24.

Wat is de functie van de grote hersenen?

a)

Coordinatie van bewegingen

b)

Bewuste gewaarwording van omgeving

c)

Evenwicht bewaren

d)

Geen van bovenstaande

25.

Wat is de naam van onderdeel en 1 en wat geven de zwarte pijlen (2) aan in dit onderdeel?

a)

1 = celkern, 2 = prikkel

b)

1 = uitloper, 2 = impuls

c)

1 = uitloper, 2 = prikkel

d)

1 = cellichaam, 2 = impuls

26.

Welke letter geeft de hersenstam aan?

a)

Q

b)

R

c)

S

d)

T

27.
De gemengde zenuw bestaat uit :
-een gevoelszenuwcel
-bewegingszenuwcel
a)
Nee, kan ook uit een schakelcel bestaan
b)
Dat klopt helemaal
c)
Nee, het is altijd een uitloper van één type zenuwcel
d)
Nee, het zijn de uitlopers van twee verschillende zenuwcellen
28.
Na het uitkomen van de eieren leren de jonge eendjes dat de kip hun ‘moeder’ is.
Hoe wordt deze vorm van leren genoemd?
a)
Conditionering
b)
Gewenning
c)
Inprenting
d)
Trial and error
29.

Wat is een voorbeeld van een inwendige prikkel?

a)

Warmte in het klaslokaal

b)

Honger

c)

Lichtstralen

d)

Koud water

30.

Hoe noem je de vorm van leren waarbij je een nieuwe strategie bedenkt om tot een oplossing van een probleem te komen?

a)

Inprenting

b)

Gewenning

c)

Inzicht

d)

Imiteren

31.

Het zuigreflex van jonge katjes (kittens) is een voorbeeld van:

a)

Imiteren

b)

Aangeboren gedrag

c)

Gewenning

d)

Oefenen

32.

Wat is een sleutelprikkel?

a)

Een prikkel die bij voldoende motivatie een reactie oproept.

b)

Een prikkel die reacties stopt.

c)

Een uitwendige prikkel die past op een inwendige prikkel.

d)

Een prikkel die telkens dezelfde reactie oproept.

33.

Welke opmerking over een supernormale prikkel is juist? Door een supernormale prikkel wordt

a)

De drempelwaarde om een gedrag uit te voeren eerder bereikt

b)

De drempelwaarde om gedrag uit te voeren later bereikt

c)

De drempelwaarde om gedrag uit te voeren verhoogd

d)

De drempelwaarde om gedrag uit te voeren verlaagd

34.
Spreeuwenjongen die pas uit het ei gekomen zijn, hebben hun ogen nog dicht.
Wanneer een ouder op het nest landt, sperren ze onmiddellijk hun bek open.
Wat is de uitwendige prikkel voor dit gedrag van de spreeuwenjongen?
a)
Honger
b)
Het bewegen van het nest
c)
Het ruiken van een worm
d)
Het zien van hun ouder
35.

tabel waarin je alle gedragselementen van een dier noteert.

a)

ethogram

b)

ethologie

c)

Protocol

36.
Welke van de onderstaande gedragingen is aangeboren?
a)
Een stekelbaars valt een houten blokje met een rode onderkant aan.
b)
Een hamster wordt elke avond op dezelfde tijd actief.
c)
Een vogel komt elk jaar terug naar dezelfde broedplaats op hetzelfde eiland.
d)
Een roodborstje eet een onsmakelijk insect, spuugt het uit en eet er nooit meer een.