wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H3 en H4 begrijpend lezen ak

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

wat is het weer precies?

a)

de toestand van de lucht op een bepaald moment op een bepaalde plaats

b)

het gemiddelde weer over een bepaalde periode

c)

het weer is overal anders

d)

dat is het klimaat

2.

Wat is het klimaat?

a)

de toestand van de lucht

b)

de toestand van de lucht op een bepaald moment op een bepaalde plaats

c)

het gemiddelde weer over een periode van dertig jaar

d)

het klimaat geldt voor een groot gebied

3.

wat bedoelen ze breedteligging?

a)

Dicht bij de evenaar vind je het tropische regenklimaat

b)

de afstand van een plaats tot aan de evenaar, gemeten in graden

c)

het klimaat op een bepaalde plaats

d)

er zijn geen seizoenen en het weer is meestal hetzelfde

4.

Welke uitspraak klopt niet over het tropisch regenwoudklimaat?

a)

het wordt er nooit echt koud

b)

het regent bijna elke dag

c)

er zijn geen seizoenen

d)

na een droge, warme periode zorgt de regen dat alles weer groen wordt

5.

Welke klimaten heb je op lage breedte?

a)

woestijnklimaat, regenwoudklimaat, steppeklimaat

b)

savanneklimaat, regenwoudklimaat zeeklimaat

c)

zeeklimaat, woestijnklimaat, savanneklimaat

d)

regenwoudklimaat, steppeklimaat, poolklimaat

6.

Wat klopt er over het savanneklimaat?

a)

Er is weinig regen en er groeien bijna geen bomen

b)

na een droge warme periode zorgt de regen ervoor dat alles weer groen wordt

c)

er zijn vooral rotswoestijnen en soms alleen zand

d)

er zijn vooral veel naaldbomen

7.

Wat voor klimaat heerst er in Winnipeg?

a)

een zeeklimaat

b)

een poolklimaat

c)

een landklimaat

d)

een naaldboomklimaat

8.

Hoe herken je een landklimaat?

a)

warme zomers, koele winters

b)

koele zomers, zachte winters

c)

warme zomers, koude winters met veel sneeuw

d)

het heeft geen seizoenen, alleen een jaarlijkse regenperiode

9.

Wat voor bomen groeien er vooral bij een landklimaat?

a)

loofbomen

b)

naaldbomen

c)

tropische regenwoud

d)

helemaal geen bomen

10.

Wat wordt bedoeld met gebieden op hoge breedte?

a)

gebieden hoog in de bergen

b)

gebieden die wat dichter bij de polen liggen met een toendra- en poolkimaat

c)

gebieden met sneeuw en ijs

d)

gebieden die dicht bij de zon liggen

11.

Hoe koud kan het wel worden op de Zuidpool?

a)

-80 graden celsius

b)

-90 graden celsius

c)

-100 graden celsius

d)

90 graden celsius

12.

Wat is het belangrijkste van dit stukje tekst?

a)

het gaat over klimaten

b)

het gaat over het poolklimaat

c)

het gaat over welke klimaten je hebt op hoge breedte

d)

de klimaten op hoge breedte zijn het toendrakimaat en het poolklimaat

13.

Wat zijn kenmerken van het toendraklimaat?

a)

geen bomen, de grond is lang bevroren

b)

sneeuw en ijslagen bedekken de bodem

c)

naaldbomen en koud

d)

er groeien nauwelijks bomen en het is koud

14.

Wat voor klimaat heeft Nederland?

a)

zeeklimaat tussen 50 en 54 N.B.

b)

landkimaat

c)

gematigd klimaat

d)

Saratov lig op dezelfde breedte als Nederland

15.

Op welke 3 punten zijn er verschillen in het Nederlandse weer?

a)

op regen, wind en sneeuw

b)

op temperatuur, neerslag en wind

c)

op neerslag, sneeuw en temperatuur

d)

de wind waait in ons land vooral vanuit het westen