wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

BHLO QUIZ

Total questions: 142

Worksheet time: 2hrs 51mins

Name
Class
Date
1.

Duid aan: platte borstel

a)
b)
c)
2.

Duid aan: spinnenborstel

a)
b)
c)
3.

Duid aan: rondeborstel

a)
b)
c)
4.

duid aan: Kappersstoel

a)
b)
c)
d)
5.

duid aan: wastafel

a)
b)
c)
d)
6.

duid aan: werkwagen

a)
b)
c)
d)
7.

duid aan: knipmantel

a)
b)
c)
d)
8.

Welk fruit begint met een 'A'? (2 juiste antwoorden)

a)
b)
c)
d)
9.

Op welke foto staat een rabarber?

a)
b)
c)
d)
10.

Welk fruit is de aardbei?

a)
b)
c)
d)
11.

Welk fruit is de kers?

a)
b)
c)
d)
12.

Wat is dit?

a)

de aardappel

b)

de ardappel

c)

het aardappel

d)

het ardappel

13.

Wat is dit?

a)

de ajuin

b)

de perzik

c)

de bloemkool

d)

de appelsien

14.

Wat is dit?

a)

de framblij

b)

de bes

c)

de courgette

d)

de framboos

15.
a)

de appelsien

b)

de citroen

c)

de limoen

d)

de kiwi

16.

Wat is dit?

a)

het koolbloem

b)

de broccoli

c)

de bloemkool

d)

de prei

17.

Wat is dit?

a)

de prei

b)

de pret

c)

de radijs

d)

het witloof

18.

Wat is dit?

a)

de pumpkin

b)

de venkel

c)

de courgette

d)

de pompoen

19.

Wat is dit?

a)

de bonen

b)

de erwten

c)

de champignon

d)

de kropsla

20.

Wat is dit?

a)

de banana

b)

het banana

c)

de banaan

d)

het banaan

21.

Wat is dit?

a)

de aardbei

b)

de framboos

c)

de druif

d)

de peer

22.

Wat is dit?

a)

de appel

b)

de mandarijn

c)

de bes

d)

de perzik

23.
a)

de appel

b)

de kers

c)

de citroen

d)

de granaatappel

24.

Wat is dit?

a)

de wortel

b)

de asperge

c)

de bonen

d)

de aubergine

25.

Wat is dit?

a)

de bloemkool

b)

de prei

c)

de komkommer

d)

de kropsla

26.

Wat is dit?

a)

de komkommer

b)

de courgette

c)

de aubergine

d)

de banaan

27.

Duid alle voedingswaren aan die thuishoren in de lichtgroene zone.

a)
b)
c)
d)
e)
28.

Wat hoort in de rode zone?

a)
b)
c)
d)
29.

Snoep hoort bij welke voedselcategorie

a)

Graanproducten

b)

Restgroep

c)

Melkproducten

d)

Rood vlees

30.

Appels horen tot welke voedselcategorie ?

a)

Graanproducten

b)

Restgroep

c)

Fruit

31.

Wat is een goede tip voor gezonde voeding?

a)

Eet veel vlees

b)

Drink veel water

c)

Eet nooit groenten

d)

Drink vaak red bull

32.

Appels horen tot welke voedselcategorie ?

a)

Donkergroen

b)

Lichtgroen

c)

Oranje

d)

Rood

e)

Geel

33.

Snoep hoort tot welke voedselcategorie ?

a)

Donkergroen

b)

Lichtgroen

c)

Oranje

d)

Rood

e)

Geel

34.

Hoeveel zones heeft de voedingsdriehoek?

a)

7

b)

4

c)

5

d)

8

35.

Rijst hoort tot welke voedselcategorie ?

a)

Donkergroen

b)

Lichtgroen

c)

Oranje

d)

Rood

e)

Geel

36.

Waarmee kan je weten hoe je gezond moet eten?

a)

Voedingswijzer

b)

Voedingsvierhoek

c)

Voedingsdriehoek

d)

Kookboek "gezonde voeding"

37.

Waar vind je het gezondste terug?

a)

Bovenaan de driehoek

b)

Onderaan de driehoek

38.

Waar vind je het ongezondste terug?

a)

In het blauwe gedeelte

b)

In het rode gedeelte

c)

In het oranje gedeelte

39.

Wat past in het donkergroene gedeelte?

a)

Water

b)

Melk

c)

Fanta

d)

Groenten en fruit

40.

In welke kleurgedeelte past deze taart?

a)

In het oranje deel

b)

in het lichtgroene deel

c)

in het rode deel

d)

in het blauwe deel

41.

Hoeveel water drink je best per dag?

a)

2 glazen per dag

b)

een flesje van een halve liter

c)

een blikje water

d)

meer dan 1 liter

42.

Hoe heet deze figuur?

a)

Een voedingsdriehoek

b)

Nutri-score

c)

Een bewegingsdriehoek

d)

Een energielabel

43.

Hoe heet deze driehoek?

a)

Een voedingsdriehoek

b)

Een sportpiramide

c)

Een bewegingsdriehoek

d)

Een sportschema

44.

Wat is het minst gezond?

a)
b)
c)
d)
45.

Wat is het ongezondste?

a)
b)
c)
d)
46.

Welke producten zijn plantaardig?

a)
b)
c)
d)
47.

Welke nutri-score heeft dit product?

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

e)

E

48.

Welke laag is de opperhuid?

a)

De binnenste

b)

De middelste

c)

De bovenste

49.

Wat is de functie van pigment?

a)

Bruin worden

b)

Beschermen tegen uv-straling

c)

Je huid rood maken, zodat je ziet dat je bent verbrand

d)

Heeft geen functie

50.

In welke laag van de huid zitten talgklieren en zweetklieren?

a)

Opperhuid

b)

Lederhuid

c)

Onderhuidse bindweefsel

51.

In welk gedeelte van de huid zit een haarzakje?

a)

Hoornlaag

b)

Kiemlaag

c)

Onderhuids bindweefsel

d)

Lederhuid

52.

De bovenste huidlaag noemt men

a)

de opperhuid

b)

de lederhuid

c)

het onderhuids bindweefsel

53.

De huid bestaat uit drie verschillende lagen. Hoe heten deze lagen?

a)

De opperhuid, de hoornlaag en de kiemlaag

b)

De opperhuid, de lederhuid en de kiemlaag

c)

De opperhuid, de lederhuid en het onderhuids vetweefsel

d)

De opperhuid de hoornlaag en het onderhuids vetweefsel

54.

Wat is de functie van het onderhuids vetweefsel? (er zijn twee juiste antwoorden)

a)

Dit is om je warm te houden

b)

Dit dient als bumper voor als je hard valt

c)

Dit geeft vorm aan de huid

d)

Dit is een reservevoorraad energie

55.

Uit hoeveel lagen bestaat de huid?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

56.

Waar uit bestaat de hoornlaag van onze huid?

a)

Bindweefsel

b)

Vet cellen

c)

Levende huidcellen

d)

Dode huidcellen

57.
a)
duimen
b)
mond
c)
tenen
d)
borst
58.
a)
duimen
b)
neus
c)
elleboog
d)
haar
59.
a)
neus
b)
elleboog
c)
nek
d)
handen
60.
a)
oren
b)
handen
c)
haar
d)
kin
61.
a)
oog
b)
kin
c)
rug
d)
handen
62.
a)
kin
b)
knie
c)
haar
d)
nek
63.
a)
kin
b)
knie
c)
rug
d)
nek
64.
a)
tenen
b)
mond
c)
borst
d)
duimen
65.
a)
elleboog
b)
haar
c)
kin
d)
nek
66.
a)
mond
b)
nek
c)
neus
d)
haar
67.
a)
oor
b)
oog
c)
mond
d)
neus
68.
a)
ogen
b)
oren
c)
neus
d)
mond
69.
a)
buik
b)
hand
c)
rug
d)
knie
70.
a)
schouders
b)
elleboog
c)
handen
d)
voeten
71.
a)
handen
b)
tenen
c)
borst
d)
knie
72.
a)
rug
b)
hoofd
c)
buik
d)
been
73.

Wat is stap 1 om je handen schoon te houden?

a)

Neem ook de polsen mee

b)

Maak je handen goed nat

c)

Wrijf ook tussen de vingers

74.

Wanneer moet je je handen wassen?

a)

Als je handen vuil zijn

b)

Als je aan het douchen bent

c)

Als je aan het zwemmen bent

75.

Wat is borstelen?

a)
b)
c)
d)
76.

Wat is knippen?

a)
b)
c)
d)
77.

Wat is wassen?

a)
b)
c)
d)
78.

Wat is een haardroger?

a)
b)
c)
d)
79.

Wat is een handdoek?

a)
b)
c)
d)
80.

Welke foto is een komkommer?

a)
b)
c)
d)
81.

Op welke foto staat een wortel?

a)
b)
c)
d)
82.

Welke groente staat er hier afgebeeld?

a)

ui

b)

Wortel

c)

Tomaat

83.

a)

selder

b)

sla

c)

lente ui

d)

komkommer

84.

Welke foto is een paprika?

a)
b)
c)
d)
85.

Welke groente staat er op de foto?

a)

ui

b)

selder

c)

sla

86.

Welke groente staat er op de foto?

a)

paprika

b)

lente ui

c)

ui

87.

Duidt de sla aan.

a)
b)
c)
d)
88.

Duidt de lente ui aan.

a)
b)
c)
d)
89.

Wat zie je op de foto?

a)

Spatel

b)

Pottenlikker

c)

Dunschiller

90.

Wat zie je op de foto?

a)

Spatel

b)

Pottenlikker

c)

Dunschiller

91.

Wat zie je op de foto?

a)

Spatel

b)

Pottenlikker

c)

Dunschiller

92.

Duidt de lookpers aan.

a)
b)
c)
d)
93.

Duidt de weegschaal aan.

a)
b)
c)
d)
94.

Duidt de garde/ kopper aan.

a)
b)
c)
d)
95.

Duidt de schuimspaan aan.

a)
b)
c)
d)
96.

Welke snijplank gebruik je bij groenten en fruit?

a)
b)
c)
d)
97.

Welke snijplank gebruik je bij rood vlees?

a)
b)
c)
d)
98.

Welke snijplank gebruik je bij gevolgelte (kip, kalkoen)?

a)
b)
c)
d)
99.

Welke snijplank gebruik je bij brood ?

a)
b)
c)
d)
100.

Waarvoor gebruik je de staafmixer

a)

mixen van de soep

b)

mixen van de saus

c)

maken van aardappelpurree

d)

snijden van groenten

101.

Sorteer het afval:

a)

GFT

b)

PMD

c)

KGA

d)

RESTAFVAL

e)

CONTAINERPARK

102.

Sorteer het afval:

a)

GFT

b)

PMD

c)

KGA

d)

RESTAFVAL

e)

GLASBOL

103.

Sorteer het afval:

a)

GFT

b)

PMD

c)

KGA

d)

RESTAFVAL

e)

GLASBOL

104.

Sorteer het afval:

a)

GFT

b)

PMD

c)

KGA

d)

RESTAFVAL

e)

CONTAINERPARK

105.

Sorteer het afval:

a)

GFT

b)

PMD

c)

KGA

d)

RESTAFVAL

e)

CONTAINERPARK

106.

Sorteer het afval:

a)

GFT

b)

PMD

c)

KGA

d)

RESTAFVAL

e)

CONTAINERPARK

107.

Sorteer het afval:

a)

GFT

b)

PMD

c)

KGA

d)

RESTAFVAL

e)

CONTAINERPARK

108.

Sorteer het afval:

a)

GFT

b)

PMD

c)

KGA

d)

RESTAFVAL

e)

PAPIER EN KARTON

109.

Sorteer het afval:

a)

GFT

b)

PMD

c)

KGA

d)

RESTAFVAL

e)

PAPIER EN KARTON

110.

Sorteer het afval:

a)

GFT

b)

PMD

c)

KGA

d)

RESTAFVAL

e)

PAPIER EN KARTON

111.

Sorteer het afval:

a)

GFT

b)

PMD

c)

KGA

d)

RESTAFVAL

e)

PAPIER EN KARTON

112.

Sorteer het afval:

a)

GFT

b)

PMD

c)

KGA

d)

RESTAFVAL

e)

PAPIER EN KARTON

113.

Sorteer het afval:

a)

GFT

b)

PMD

c)

KGA

d)

RESTAFVAL

e)

GLASBOL

114.

Sorteer het afval:

a)

GFT

b)

CONTAINERPARK

c)

KGA

d)

RESTAFVAL

e)

GLASBOL

115.

Sorteer het afval:

a)

GFT

b)

PAPIER EN KARTON

c)

KGA

d)

RESTAFVAL

e)

CONTAINERPARK

116.

Sorteer het afval:

a)

GFT

b)

PAPIER EN KARTON

c)

KGA

d)

RESTAFVAL

e)

CONTAINERPARK

117.

Sorteer het afval:

a)

GFT

b)

PAPIER EN KARTON

c)

KGA

d)

RESTAFVAL

e)

PMD

118.

Sorteer het afval:

a)

GFT

b)

CONTAINERPARK

c)

KGA

d)

RESTAFVAL

e)

PMD

119.

Welke vuilbak zie je hier?

a)

Papier en karton

b)

Rest

c)

GFT

d)

PMD

120.

Welke vuilbak zie je hier?

a)

Glas

b)

GFT

c)

PMD

d)

Rest

121.

Welke vuilbak zie je hier?

a)

Glas

b)

GFT

c)

Papier en karton

d)

Rest

122.

Wat mag er in deze vuilbak (papier en karton)?

a)
b)
c)
d)
123.

Wat mag er in deze vuilbak (glas)?

a)
b)
c)
d)
124.

Sorteer het afval:

a)
b)
c)
d)
e)
125.

Sorteer het afval:

a)
b)
c)
d)
e)
126.

Sorteer het afval:

a)
b)
c)
d)
e)
127.

Sorteer het afval:

a)
b)
c)
d)
e)
128.

Sorteer het afval:

a)
b)
c)
d)
e)
129.

Sorteer het afval:

a)
b)
c)
d)
e)
130.

Sorteer het afval:

a)
b)
c)
d)
e)
131.

Sorteer het afval:

a)
b)
c)
d)
e)
132.

Sorteer het afval:

a)
b)
c)
d)
e)
133.

Sorteer het afval:

a)
b)
c)
d)
e)
134.

Sorteer het afval:

a)
b)
c)
d)
e)
135.

Sorteer het afval:

a)
b)
c)
d)
e)
136.

Sorteer het afval:

a)
b)
c)
d)
e)
137.
a)

de hand

b)

de voet

c)

de rug

d)

de keel

138.
a)

de mond

b)

het haar

c)

het oor

d)

het oog

139.

De mens heeft 5 zintuigen. Welke zijn dat allemaal?

a)

smaak, reuk, voelen, horen en spelen

b)

smaak, reuk, voelen, horen en zien

c)

smaak, lopen, voelen, horen en zien

d)

smaak, reuk, voelen, eten en zien

140.

Als ik mij verbrand, dan moet ik

a)

in warm water douchen.

b)

niets, het gaat vanzelf wel over.

c)

mij insmeren met after sun/lotion.

d)

de regendans doen.

141.

Als ik in het licht kijk, dan wordt mijn pupil

a)

groter

b)

blijft hetzelfde

c)

kleiner

142.

met welk orgaan gebruik je jouw smaakzintuigen

a)

tanden

b)

neus

c)

tong

d)

ogen