wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Tekststructuren havo 3

Total questions: 10

Worksheet time: 5mins

Name
Class
Date
1.

Welke tekststructuur ziet er als volgt uit:

Inleiding: bepaald verschijnsel

Middenstuk: kenmerken/voorbeelden/verklaringen

Slot: samenvatting

a)

argumentatiestructuur

b)

aspectenstructuur

c)

verleden/heden/(/toekomst)structuur

d)

verklaringsstructuur

2.

Welke tekststructuur ziet er als volgt uit:

Inleiding: probleem

Middenstuk: gevolgen / oorzaken / oplossingen

Slot: de beste oplossing

a)

Probleem/oplossingstructuur

b)

Argumentatiestructuur

c)

Voor- en nadelenstructuur

d)

Vraag/antwoordstructuur

3.

Juist of onjuist:

De eerste zin in een alinea is altijd de kernzin.

a)

Juist

b)

Onjuist

4.

Het onderwerp van een tekst formuleer je als

a)

Een zin

b)

Een zinsgedeelte

c)

Een groepje woorden

5.

In het slot van een tekst met de probleem-oplossingsstructuur geef je

a)

een overzicht van oplossingen

b)

de beste oplossing

c)

voor- en nadelen van verschillende oplossingen

6.

Wat is een tekststructuur?

a)

Een opbouw van een tekst met tussenkopjes

b)

Een opbouw van tekst met titel, plaatjes en tussenkopjes

c)

Een vaste opbouw/indeling van inleiding, middenstuk en slot

d)

Een opbouw waarbij alle alinea's met elkaar te maken hebben

7.

Welke bewering over tekststructuren is onjuist?

a)

Teksten met structuur hebben altijd inleiding, kern en slot

b)

Teksten hebben niet altijd een tekststructuur

c)

Teksten met structuur hebben altijd dezelfde inleiding

8.
Wat is een kernzin? 
a)
De belangrijkste zin die in een alinea staat. 
b)
De belangrijkste zin die in een tekst staat. 
c)
Een zin waarmee je als lezer de hele tekst samenvat. 
d)
Een zin waarmee je als lezer de alinea samenvat. 
9.

Welke structuur ziet er als volgt uit:

Inleiding: onderwerp

Middenstuk: situatie vroeger / situatie nu

Slot: conclusie of situatie in de toekomst

a)

Verleden/heden(/toekomst)structuur

b)

Vraag/antwoordstructuur

c)

Voor- en nadelenstructuur

d)

Probleem/oplossingsstructuur

10.

Welke leesstrategie pas je toe om de tekststructuur te achterhalen?

a)

globaal

b)

oriënterend

c)

precies

d)

zoekend