Font size
WorksheetsWerkwoorden spellen
Total questions: 10
Worksheet time: 19mins
De infinitief van een werkwoord is:
ik-vorm van een het werkwoord
De onvervoegde vorm van het werkwoord
De stam van het werkwoord
De vervoegde vorm van het werkwoord
De persoonsvorm (pv) is
de vervoegde vorm van het werkwoord
de stam van het werkwoord
over wie of wat het gaat in een zin
De pv is altijd een werkwoord
ja
neen
De pv past zich aan aan het onderwerp van de zin. Zet de pv in het juiste getal.
Ik (lopen) naar school.
(a)
De pv past zich aan aan het onderwerp van de zin. Zet de pv in het juiste getal
Ken (lopen) naar school.
(a)
Zet het werkwoord in de OVT.
Charlotte en Jippe (lezen) hetzelfde boek.
lezen
leesden
lazen
las
Schrijf het voltooid werkwoord (vd).
Lies heeft naar huis (rennen).
gerent
gerend
gerendt
Schrijf het werkwoord in de OVT
De politie (vermoeden) dat er sprake was van een misdrijf.
vermoedde
vermoede
vermoed
vermoedt
Zet het werkwoord in de OTT.
Ik (worden) morgen 14 jaar.
wort
word
wordt
werd
Schrijf het voltooid deelwoord van het werkwoord.
Bij de nieuwe oefeningen had Fran haar punten zelfs (verdubbelen).
verdubbelt
verdubbeld
verdubbeldt
