wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoorden spellen

Total questions: 10

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

De infinitief van een werkwoord is:

a)

ik-vorm van een het werkwoord

b)

De onvervoegde vorm van het werkwoord

c)

De stam van het werkwoord

d)

De vervoegde vorm van het werkwoord

2.

De persoonsvorm (pv) is

a)

de vervoegde vorm van het werkwoord

b)

de stam van het werkwoord

c)

over wie of wat het gaat in een zin

3.

De pv is altijd een werkwoord

a)

ja

b)

neen

4.

De pv past zich aan aan het onderwerp van de zin. Zet de pv in het juiste getal.

Ik (lopen) naar school.

(a)  

5.

De pv past zich aan aan het onderwerp van de zin. Zet de pv in het juiste getal

Ken (lopen) naar school.

(a)  

6.

Zet het werkwoord in de OVT.

Charlotte en Jippe (lezen) hetzelfde boek.

a)

lezen

b)

leesden

c)

lazen

d)

las

7.

Schrijf het voltooid werkwoord (vd).

Lies heeft naar huis (rennen).

a)

gerent

b)

gerend

c)

gerendt

8.

Schrijf het werkwoord in de OVT

De politie (vermoeden) dat er sprake was van een misdrijf.

a)

vermoedde

b)

vermoede

c)

vermoed

d)

vermoedt

9.

Zet het werkwoord in de OTT.

Ik (worden) morgen 14 jaar.

a)

wort

b)

word

c)

wordt

d)

werd

10.

Schrijf het voltooid deelwoord van het werkwoord.

Bij de nieuwe oefeningen had Fran haar punten zelfs (verdubbelen).

a)

verdubbelt

b)

verdubbeld

c)

verdubbeldt