wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Signaalwoorden Mavo 4

Total questions: 23

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Door het woord maar weet je dat hier een tekstverband bestaat.


Welk soort?

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

2.

Van lichtprojecties, vuurpijlen en steekvlammen tot een spectaculaire wateract van Davina Michelle en Thekla Reuten.

Signaalwoord en wijst hier op welk tekstverband?

a)

Oorzaak en gevolg

b)

Tegenstelling

c)

Opsomming

3.

Tegenover deze zwakke optredens stonden sterke performances van onder anderen Malta, Cyprus, Litouwen en publieks-guilty pleasure Azerbeidzjan.


Wat doet signaalwoord tegenover hier?

a)

Aangeven dat er een tekstbestand bestaat, namelijk: tegenstelling

b)

Aangeven dat er een tekstbestand bestaat, namelijk: opsomming

4.

Door de brand raakten 40 woningen onbewoonbaar. Veertig bewoners konden niet terug naar hun huizen.

Signaalwoord door wijst op het soort tekstverband...

a)

Opsomming

b)

Tegenstelling

c)

Oorzaak en gevolg

5.

Het allergrootste wonder is dat er niemand gewond is geraakt.

-------

Er woonden heel véél mensen onder schokkende omstandigheden van hutje mutje op elkaar.

a)

Ik kan hierboven het tekstverband maken met het woord: want

b)

Ik kan hierboven het tekstverband maken met het woord: maar

6.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Ik ga straks eerst naar huis, dan ga ik mijn huiswerk maken en daarna ga ik tv-kijken.

a)

Opsommend

b)

Chronologisch

c)

Redengevend

d)

Doel-middel

7.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Net als zij heeft hij jarenlang in het buitenland gewoond.

a)

Vergelijkend

b)

Toegevend

c)

Oorzakelijk

d)

Opsommend

8.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Hij viel van zijn fiets, doordat hij teveel gedronken had.

a)

Doel-middel

b)

Toelichtend

c)

Oorzakelijk

d)

Voorwaardelijk

9.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Als ik niet ga, gaat zij ook niet!

a)

Redengevend

b)

Doel-middel

c)

Tegenstellend

d)

Voorwaardelijk

10.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'daardoor'?

a)

Tegenstellend

b)

Oorzakelijk

c)

Chronologisch

d)

Toegevend

11.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'samengevat'?

a)

Samenvattend

b)

Concluderend

c)

Toelichtend

d)

Opsommend

12.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'evenals'?

a)

Vergelijkend

b)

Redengevend

c)

Voorwaardelijk

d)

Oorzakelijk

13.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'toch'?

a)

Tegenstellend

b)

Voorwaardelijk

c)

Opsommend

d)

Concluderend

14.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'indien'?

a)

Voorwaardelijk

b)

Tegenstellend

c)

Concluderend

d)

Doel-middel

15.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'vervolgens'?

a)

Toelichtend

b)

Samenvattend

c)

Chronologisch

d)

Vergelijkend

16.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'kortom'?

a)

Concluderend

b)

Doel-middel

c)

Voorwaardelijk

d)

Oorzakelijk

17.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'bovendien'?

a)

Redengevend

b)

Opsommend

c)

Vergelijkend

d)

Toelichtend

18.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'want'?

a)

Redengevend

b)

Toelichtend

c)

Opsommend

d)

Samenvattend

19.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'om te ...'?

a)

Chronologisch

b)

Doel-middel

c)

Voorwaardelijk

d)

Toelichtend

20.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Ik ben geboren in de 20e eeuw. Drie jaren later, in de 21e eeuw, is mijn broertje geboren.

a)

opsomming

b)

tijd

c)

reden

d)

tegenstelling

21.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?


Ik zou graag Spaans willen leren spreken, omdat ik vaak naar landen ga waar ze deze taal spreken.

a)

tegenstelling

b)

volgorde

c)

reden

d)

tijd

22.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?


De sportdag was goed georganiseerd. Zo werd er genoeg water uitgedeeld en we hadden genoeg rustmomenten.

a)

opsomming

b)

reden

c)

tegenstelling

d)

voorbeeld

23.

Hoewel ik genoeg geld heb, koop ik die telefoon toch niet.

a)

Dit is een vergelijking

b)

Dit is een tegenstelling