wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo3- Lezen H. 1-2+ 3 t/m 6

Total questions: 30

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Je bekijkt de tekst en leest de eerste alinea

a)

globaal lezen

b)

oriënterend lezen

c)

precies lezen

d)

zoekend lezen

2.

Je leest de eerste en laatste zin van alle alinea's

a)

globaal lezen

b)

oriënterend lezen

c)

precies lezen

d)

zoekend lezen

3.

Je bekijkt de tekst, de tussenkopjes en kijkt naar anders gedrukte woorden/ opvallende tekens

a)

globaal lezen

b)

oriënterend lezen

c)

zoekend lezen

d)

precies lezen

4.

Inleiding= probleem

middenstuk = gevolgen/oorzaken

slot = de beste oplossing

a)

verklaringsstuctuur

b)

probleem-oplossingsstructuur

c)

verleden-heden structuur

d)

argumentatiestructuur

5.

inleiding= stelling/standpunt

middenstuk= argumenten voor de stelling+ tegenargumenten

slot= herhaling stelling

a)

aspectenstructuur

b)

vraag-antwoordstructuur

c)

argumentatiestructuur

d)

voor-nadelenstructuur

6.

inleiding = verschijnsel

middenstuk= kenmerken/voorbeelden

slot= samenvatting/ conclusie

a)

verklaringsstructuur

b)

probleem-oplossingsstructuur

c)

vraag-antwoordstructuur

d)

aspectenstructuur

7.

In een verleden-heden-toekomststructuur zie je

a)

afweging en conclusie

b)

een chronologische ontwikkeling van het onderwerp

c)

argumenten voor de stelling

d)

diverse aspecten van het onderwerp

8.

Welke structuur heeft een tekst waarin een afweging en conclusie wordt gegeven?

a)

voor-nadelenstructuur

b)

argumentatiestructuur

c)

aspectenstructuur

d)

vraag en antwoordstructuur

9.

maar, echter, toch, wel hoewel, ondanks, weliswaar integendeel, daarentegen >> zijn signaalwoorden voor?

a)

conclusie

b)

opsomming

c)

tegenstelling

d)

vergelijking

10.

omdat, daarom, dus, om die reden doordat, daardoor, waardoor, zodat >> zijn signaalwoorden voor?

a)

vergelijking

b)

argumentatie

c)

tegenstelling

d)

voorbeeld

11.

bijvoorbeeld • een voorbeeld • zo • ter illustratie • dat wil zeggen>> zijn signaalwoorden voor?

a)

toelichting

b)

opsomming

c)

oorzaak-gevolg

d)

argumentatie

12.

want • doordat • daardoor • waardoor • dat komt door • dat heeft alles te maken met>> zijn signaalwoorden voor?

a)

oorzaak-gevolg

b)

opsomming

c)

tegenstelling

d)

doel-middel

13.

In deze structuur zie je diverse kanten/oogpunten van het onderwerp

a)

argumentatiestructuur

b)

vraag-antwoordstructuur

c)

aspectenstructuur

d)

voor-nadelenstructuur

14.

In het slot zie je een conclusie of voorspelling over de situatie in de toekomst

a)

probleem-oplossingsstructuur

b)

aspectenstructuur

c)

verklaringsstructuur

d)

verleden-heden( toekomst) structuur

15.

vroeger, later, nu, eerst, daarna, vervolgens, nadat, terwijl, dadelijk, intussen>> zijn signaalwoorden voor een?

a)

chronologisch verband

b)

opsommend verband

c)

tegenstellend verband

16.

Het weerleggen van tegenargumenten is voor een schrijver een goede manier om de lezer te overtuigen van zijn standpunt.

a)

juist

b)

onjuist

17.

Meestal kun je de tekststructuur herkennen als je de tekst globaal leest.

a)

onjuist

b)

juist

18.

Meestal kun je de tekststructuur herkennen als je de tekst ..................leest.

Soms is het noodzakelijk om de tekst intensief te lezen om erachter te komen welke structuur de tekst heeft.

a)

oriënterend

b)

precies

c)

zoekend

d)

globaal

19.

Een tekst met een voor- en nadelenstructuur eindigt vaak met een ................ en een conclusie

a)

afweging

b)

argument

c)

vraag

d)

samenvatting

20.

De schrijfster maakt de tekst rond, door aan te sluiten bij een voorbeeld uit de inleiding. Je hebt dan een?

a)

goed middenstuk

b)

goede opening

c)

goede afsluiting

d)

een hoofdgedachte

21.

Een functie in een tekstgedeelte zorg ervoor dat je

a)

informatie op kunt zoeken

b)

Een tekst beter kunt begrijpen

c)

makkelijker een samenvatting en/ of schema van de tekst kunt maken.

d)

deelonderwerpen kunt vinden

22.

omdat, daarom, dus, om die reden doordat, daardoor, waardoor, zodat >> zijn signaalwoorden voor?

a)

vergelijking

b)

argumentatie

c)

tegenstelling

d)

voorbeeld

23.

In een verleden-heden-toekomststructuur zie je

a)

afweging en conclusie

b)

een chronologische ontwikkeling van het onderwerp

c)

argumenten voor de stelling

d)

diverse aspecten van het onderwerp

24.

Meestal kun je de tekststructuur herkennen als je de tekst globaal leest.

a)

onjuist

b)

juist

25.

Het weerleggen van tegenargumenten is voor een schrijver een goede manier om de lezer te overtuigen van zijn standpunt.

a)

juist

b)

onjuist

26.

De schrijver heeft bijvoorbeeld voor- en nadelen gegeven of voor en tegenargumenten. Nu moet hij bepalen wat het belangrijkste is, voordat hij een conclusie trekt. Afwegen is dus zoiets als ‘vergelijken’.

a)

definitie

b)

afweging

c)

vraagstelling

d)

anekdote

27.

is een verfijning of een kleine aanpassing van een bewering of stelling. De schrijver geeft bijvoorbeeld eerst zijn mening over iets en formuleert die vervolgens iets preciezer of maakt die mening wat minder zwart-wit.

a)

nuancering

b)

definitie

c)

constatering

d)

probleemstelling

28.

is een actuele gebeurtenis die de schrijver gebruikt om zijn tekst aan op te hangen. De ..................... staat meestal aan het begin van een tekst.

a)

verklaring

b)

anekdote

c)

uitwerking

d)

aanleiding

29.

inleiding=verschijnsel

middenstuk=kenmerken / voorbeelden

oorzaak/oorzaken / reden(en)

slot=samenvatting of conclusie

a)

verklarings-

structuur

b)

verleden - heden toekomststructuur

c)

probleem-oplossingsstructuur

d)

argumentatiestructuur

30.

ook, tevens, bovendien, ten eerste, ten tweede, daarnaast

zijn signaalwoorden voor ?

a)

oorzakelijk verband

b)

tegenstellend verband

c)

chronologisch verband

d)

opsommend verband