wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Verbranding en ademhaling V2

Total questions: 33

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.
Welk gas heb ik nodig bij verbranding?
a)
koolstodioxide
b)
zuurtsof
c)
stikstof
d)
geen van de 3 genoemde
2.
Wat is bij deze verbranding de brandstof?
a)
de vlam
b)
het kaarsvet
c)
de zuurstof 
3.
Waarom gaat het vlammetje van de kaars uit?
a)
De koolstofdioxide in het potje raakt op
b)
De zuurstof in het potje raakt op
c)
Het lontje is te kort
d)
Het kaarsvet raakt op
4.
Wat is een indicator?
a)
Een stof waar iets inzit
b)
Een orgaan
c)
Een stof waarmee ik een andere stof aantoon
d)
Een stof waarmee ik een andere stof weg krijg
5.

Wat kan ik aantonen met helder kalkwater?

a)

zuurstof

b)

stikstof

c)

koolstodioxide

d)

helium

6.
Wat is waar?
a)
In uitgeademde lucht zit meer zuurstof dan ingeademde lucht
b)
in ingeademde lucht zit meer koolstofdioxide dan uitgeademde lucht
c)
In ingeademde lucht zit meer zuurstof dan uitgeademde lucht
d)
In ingeademde lucht zit evenveel zuurstof als uitgeademde lucht
7.
Het is beter om door je neus in te ademen omdat.....
a)
De lucht hierdoor gezuiverd wordt van stof en bacteriën en warm en droger wordt
b)
De lucht hierdoor gezuiverd wordt van stof en bacteriën, kouder en vochtiger wordt
c)
De lucht hierdoor warmer ,vochtiger en geroken wordt
d)
De lucht hierdoor gezuiverd,droger en kouder wordt
8.

Gaswisseling kan snel plaats vinden in de longblaasjes omdat?

a)

ze een heel groot oppervlakte samen hebben

b)

ze een dikke wand hebben

c)

ze makkelijk glucose kunnen uitwisselen

d)

ze makkelijk water kunnen uitwisselen

9.

Het precentage stikstof wat je in en uitademt is gelijk

a)

waar

b)

niet waar

10.

Wat is de indicator voor CO2

a)

kalkwater

b)

jodium

c)

helder kalkwater

d)

Fehling A en B

11.

Koudbloedige dieren kunnen in de winter wel of geen actief leven leiden omdat:

a)

wel omdat de enzymen voor verbranding het beste werken bij een lage temperatuur waardoor er genoeg verbranding plaats kan vinden en ze genoeg energie hebben om een actief leven te leiden

b)

geen, omdat de enzymen minder goed werken bij een lage temperatuur en daardoor minder verbranding plaats kan vinden waardoor ze niet genoeg energie hebben om een actief leven te leiden

c)

Wel, omdat ze zich voorafgaand aan de winter vol hebben gegeten en indien nodig op zoek kunnen gaan naar extra voedsel

12.

Welke dieren zijn warmbloedig?

a)

vissen en kikkers

b)

reptielen

c)

Alleen zoogdieren

d)

vogels en zoogdieren

13.

In de bronchiën vindt gaswisseling plaats

a)

waar

b)

niet waar

14.

Roken is schadelijk. Welke stof neemt de plaats in van zuurstof?

a)

koolstofdioxide

b)

nicotine

c)

koolstofmonoxide

d)

teer

15.

Nicotine vernauwt de bloedvaten

a)

waar

b)

niet waar

16.

Welk dier is in staat om in de winter een actief leven te leiden?

a)

haai

b)

merel

c)

kikker

17.

Bij hooikoorts is men allergisch voor het stuifmeel van bomen

a)

waar

b)

niet waar

18.

Een pantoffeldiertje ademt via de longen

a)

waar

b)

niet waar

19.

Een insect ademt via zijn mond

a)

waar

b)

niet waar

20.

Hoe heten de openingen aan de zijkant van het achterlijf van een rups?

a)

Tracheeën

b)

Stigma's

21.

Bij vissen zijn bij inademing:

a)

de bek open en de kieuwdeksels open

b)

de bek open en de kieuwdeksels dicht

c)

de bek dicht en de kieuwdeksels dicht

d)

de bek dicht en de kieuwdeksels open

22.

Wat is de formule van verbranding?

a)

Glucose + CO2 > O2 + H2O(water) + energie

b)

Glucose + O2 = CO2+ H2O(water) + energie

c)

Glucose + O2 > CO2+ H2O(water)+ energie

d)

Glucose + CO2 = O2 + H2O(water)+ energie

23.

Wat verstaan we onder gaswisseling

a)

het uitwisselen van zuurstof en koolstofdioxide in de longblaasjes

b)

het uitwisselen van stikstof en zuurstof in de longblaasjes

c)

Het uitwisselen van stikstof en zuurstof tussen cellen en bloed

d)

het opnemen van zuurstof in het bloed

24.
Welke ademhalingspieren zijn betrokken bij een normale inademing?
a)
middenrif en binnenste tussenribspieren
b)
middenrif en buitenste tussenribspieren
c)
binnenste en buitenste tussenribspieren
d)
geen spieren
25.
Welke spieren zijn betrokken bij een normale uitademing?
a)
middenrif en binnenste tussenribspieren
b)
middenrif en buitenste tussenribspieren
c)
binnenste en buitenste tussenribspieren
d)
geen spieren
26.
De grondstofwisseling van een muis en een slang worden met elkaar vergeleken. De temperatuur is 10 graden Celsius. wie heeft de hoogste grondstofwisseling? en waarom?
a)
de muis, omdat hij veel verbranding heeft
b)
de muis, omdat hij weinig verbranding heeft
c)
de slang omdat hij veel verbranding heeft
d)
de slang omdat hij weinig verbranding heeft
27.
Zoogdieren halen adem met
a)
longen
b)
kieuwen
c)
celmembraan
d)
tracheeën
28.
Vissen halen adem met
a)
longen
b)
kieuwen
c)
celmembraan
d)
tracheeën
29.
Insecten halen adem met
a)
longen
b)
kieuwen
c)
celmembraan
d)
tracheeën
30.
Eencellige dieren halen adem met
a)
longen
b)
kieuwen
c)
celmembraan
d)
tracheeën
31.
Reptielen halen adem met
a)
longen
b)
huid
c)
huid en longen
d)
kieuwen
32.
Volwassen amfibieën halen adem met
a)
longen
b)
huid
c)
huid en longen
d)
kieuwen
33.
Jonge amfibieën halen adem met
a)
longen
b)
huid
c)
huid en longen
d)
kieuwen