wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 4 Stevigheid en beweging oefentoets mavo 1

Total questions: 31

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Een voorbeeld van een vergroeid bot is het ...

a)

Opperarmbeen

b)

Dijbeen

c)

Heiligbeen

2.

Botten die verbonden zijn met kraakbeen kunnen ...

a)

Niet bewegen ten opzichte van elkaar.

b)

Een beetje bewegen ten opzichte van elkaar.

c)

Veel bewegen ten opzichte van elkaar.

3.

Bij welk type gewricht is beweging in verschillende richtingen mogelijk?

a)

Kogelgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Rolgewricht

4.

Welk type verbinding zie je op de afbeelding?

a)

Rolgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Kogelgewricht

d)

Naadverbinding

5.

Welk type gewricht zie je op de afbeelding?

a)

Rolgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Kogelgewricht

6.

De tussenwervelschijf tussen twee wervels is een voorbeeld van een ...

a)

Naadverbinding

b)

Gewrichtsverbinding

c)

Kraakbeenverbinding

d)

Wervelverbinding

7.

In de afbeelding zie je een tekening van een heupgewricht. Wat is de naam van onderdeel 4?

a)

Kraakbeenlaagje

b)

Gewrichtskapsel

c)

Kapselband

d)

Gewrichtssmeer

8.

Welk orgaan wordt beschermt door het skelet?

a)

Darmen

b)

Maag

c)

Longen

d)

Luchtpijp

9.

Welke stof verdwijnt als je een bot in zoutzuur legt?

a)

Kalk

b)

Lijmstof

10.
Bevatten de botten van een baby (in verhouding) meer lijmstof of kalkstof?
a)
Lijmstof
b)
Kalkstof
11.

Hoe heet bot nummer 12?

a)

Ellepijp

b)

Spaakbeen

c)

Kuitbeen

d)

Opperarmbeen

12.

Welke van de vier beenverbindingen is een verbinding waarbij lichte beweging mogelijk is?

a)

1: Verbinding met een naad

b)

2: Vergroeid

c)

3: Kraakbeenverbinding

d)

4: Gewricht

13.

Welk deel van het gewricht zorgt ervoor dat deze goed op zijn plek blijft?

a)

Laagje kraakbeen

b)

Kapselbanden

c)

Gewrichtssmeer

d)

Gewrichtskogel

14.

Door welk gewricht zijn je ellepijp en je spaakbeen aan elkaar verbonden?

a)

Kogelgewricht

b)

Scharniergewricht

c)

Rolgewricht

15.

Hoe heet bot nummer 5?

a)

Spaakbeen

b)

Kuitbeen

c)

Sleutelbeen

d)

Schouderblad

16.

Hoe heet bot nummer 18?

a)

Handwortelbeentje

b)

Middenhandsbeentje

c)

Vingerkootje

d)

Spaakbeen

17.

Hoe heet bot nummer 3?

a)

wandbeen

b)

Slaapbeen

c)

Voorhoofdbeen

d)

Jukbeen

18.

De schedelbeenderen van een baby zijn nog niet aan elkaar gegroeid.

Hoe heten de vliezen tussen de schedelbeenderen van een baby?

(a)  

19.
Welk type beenverbinding is hier afgebeeld?
a)
Gewricht
b)
Kraakbeenverbinding
c)
Vergroeiing
d)
Naadverbinding
20.
Welk type beenverbinding is zeer beweeglijk?
a)
Kraakbeenverbinding
b)
Gewrichten
c)
Naadverbinding
d)
Vergroeiing
21.
Wat gebeurt er met een spier als hij zich aanspant?
a)
Wordt kort en dun
b)
Wordt lang en dun
c)
Wordt kort en dik
d)
Wordt lang en dik
22.

Wat zijn antagonisten?

a)

Spieren met dezelfde werking

b)

Willekeurige spieren

c)

Onwillekeurige spieren

d)

Spieren met een tegenovergestelde werking

23.

Een voorbeeld van antagonisten zijn de biceps en de triceps

a)

Waar

b)

Niet waar

24.

Waardoor wordt de knieschijf op zijn plek gehouden?

a)

Gewrichtsband

b)

Meniscus

c)

Gewricht

d)

Naadverbinding

25.

Waardoor kunnen gewrichten makkelijk langs elkaar bewegen?

a)

Beenverbinding

b)

Gewrichtsbanden

c)

Gewrichtssmeer

d)

Kraakbeen

26.

de hartspier is een

a)

Willekeurige spier

b)

Onwillekeurige spier

27.

Een ander woord voor armbuigspier is biceps

a)

waar

b)

niet waar

28.

Wat zijn de eigenschappen van een pees?

a)

taai en elastisch

b)

hard en niet buigzaam

c)

taai en niet elastisch

d)

zacht en soepel

e)

zacht en buigzaam

29.

Als je sport, dan kun je daarna wel eens spierpijn krijgen. Wat gebeurt er in je spier als je spierpijn hebt?

a)

je spier is binnenin gescheurd, dat doet pijn

b)

er zitten veel afvalstoffen in je spieren

c)

er zit teveel bloed in je spieren door de inspanning

d)

er is een tekort aan glucose in de spieren

30.

Spieren zitten met pezen vast aan de botten

a)

waar

b)

niet waar

31.

Wat is de goede volgorde van klein naar groot?

a)

spiervezel - spier - spierbundel

b)

spier - spierbundel - spiervezel

c)

spiervezel - spierbundel - spier

d)

spierbundel - spier - spiervezel