wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Toets LV01 V3

Total questions: 37

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband opsomming?

a)

ook

b)

maar

c)

eerst

d)

doordat

2.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband tegenstelling?

a)

maar

b)

tevens

c)

dan

d)

als

3.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Slechte nachten zorgt voor chagrijnige mensen . Ook ongezonde voeding zorgt voor een slecht humeur.

a)

Tijdsvolgorde

b)

Tegenstelling

c)

Oorzaak-gevolg

d)

Opsomming

4.

Van welk tekstverband is hier sprake?


Hoewel hij niet van Spanje houdt, gaat hij er elk jaar heen.

a)

Opsomming

b)

Oorzaak-gevolg

c)

Tegenstelling

d)

Voorbeeld

5.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen.


Er was een weer-alarm afgegeven. Mijn vader ging onze caravan echter toch terugbrengen naar de stalling.

a)

Voorbeeld

b)

Opsomming

c)

Tegenstelling

d)

Oorzaak-gevolg

6.

'Ten eerste', 'ten tweede' en 'daarna' geven een opsomming aan

a)

Juist

b)

Fout

7.

Voorbeelden van signaalwoorden zijn:

a)

Maar, en, toch, daarna, ten slotte.

b)

Juist, deze, hij, die.

c)

Dat, doen, daar, het, om, uit.

d)

Geen van allen.

8.

Welk tekstverband geeft het gekleurde woord aan?


Mijn oom is heel erg avontuurlijk. Mijn tante daarentegen is helemaal niet avontuurlijk en wil niet graag nieuwe dingen beleven.

a)

opsomming

b)

volgorde

c)

voorbeeld

d)

tegenstelling

9.

Welk tekstverband geven de gekleurde woorden aan?


Ten eerste vind ik het heel erg leuk om naar school te gaan en ten tweede leer ik er veel van.

a)

voorbeeld

b)

tijd

c)

reden

d)

opsomming

10.

Bij het tekstverband tegenstelling horen de signaalwoorden

a)

en, ook, daarnaast, bovendien

b)

waarmee, door middel van, om te

c)

maar, toch, echter, daarentegen

d)

doordat, hierdoor, met als gevolg

11.

Het tekstverband conclusie wordt aangekondigd met de signaalwoorden

a)

en, ook, daarnaast en vervolgens

b)

waarmee, door middel van

c)

omdat, want, daarom, vanwege, immers, namelijk

d)

dus, kortom, dan ook

12.

De schrijver geeft zijn mening in een

a)

amuserende tekst

b)

activerende tekst

c)

informatieve tekst

d)

overtuigende tekst

13.

De hoofdgedachte van een tekst is

a)

precies hetzelfde als het onderwerp

b)

de conclusie

c)

antwoord op de vraag: "Waar gaat de tekst over?"

d)

het belangrijkste wat de schrijver over het onderwerp zegt, samengevat in één zin

14.

Het onderwerp van een tekst

a)

beschrijft in één woord of in een paar woorden waar de tekst over gaat.

b)

is de kortst mogelijke samenvatting van een tekst.

15.

Een feit kun je controleren.

a)

Waar

b)

Niet waar

16.

Wat een prachtige beweging!

a)

Feit

b)

Mening

17.

Maar en echter zijn de signaalwoorden voor het tekstverband ...

(a)  

18.

Welke uitspraken zijn juist? Er zijn meerdere goede antwoorden.

a)

Als je iets kunt controleren is het een feit.

b)

Feiten kun je alleen op Google controleren.

c)

Een mening herken je aan woorden ik vind en volgens mij.

d)

Een argument herken je aan signaalwoorden als want, omdat, daarom en namelijk.

19.

Om jouw mening kracht bij te zetten, gebruik je..

a)

Feiten

b)

Meningen

c)

Argumenten

d)

Meningen van anderen

20.
Waar vind je de hoofdgedachte van een tekst? 
a)
Niet, die moet je zelf bedenken. 
b)
In de inleiding en in het slot. 
c)
Altijd in de laatste alinea. 
d)
Altijd in de eerste alinea. 
21.

Wat is een kernzin altijd?

a)

De belangrijkste zin van de alinea

b)

De eerste zin van de alinea

c)

Het onderwerp van de alinea

d)

De laatste zin van de alinea

22.

Wat is het tekstdoel van een betogende tekst?

a)

Informeren

b)

amuseren

c)

overtuigen

23.

Wat geeft het signaalwoord 'maar' aan ?

a)

Tegenstelling

b)

Opsomming

c)

Reden

d)

Beperking

24.

Is een feitelijk argument te controleren ?

a)

Ja

b)

Nee

25.

Ik weet nog niet of ik wel zo blij ben met die nieuwe manier van lesgeven. Dit is een...

a)

positief standpunt

b)

negatief standpunt

c)

twijfel standpunt

26.

Daarom denk ik dat een avondklok een goed idee zou zijn. Dit is een...

a)

positief standpunt

b)

negatief standpunt

c)

twijfel standpunt

27.

Want moet er in de vakjes staan? (kies de twee juiste opties)

a)

Bij 1 moet standpunt, bij 2 moet argument

b)

Bij 1 moet argument, bij 2 moet standpunt

c)

Bij 3 moet want, bij 4 moet dus

d)

Bij 3 moet dus, bij 4 moet want

28.

Hij is immers veruit de beste in de debatten. Dit argument is...

a)

feitelijk

b)

waarderend

29.

Wat is het standpunt in het volgende stukje?

De meeste leerlingen van mijn klas willen nu eenmaal bowlen, dus ik ga me daar niet tegen verzetten. Het is bovendien goedkoper dan paintballen en karten en het is dichtbij school.

a)

De meeste leerlingen van mijn klas willen nu eenmaal bowlen.

b)

Dus ik ga me daar niet tegen verzetten.

c)

Het is bovendien goedkoper dan paintballen en karten.

d)

Het is dichtbij school.

30.

Welke twee soorten argumenten zijn er?

a)

Feitelijke en waarderende argumenten

b)

Objectieve en echte argumenten

c)

Subjectieve en slechte argumenten

d)

Goede en slechte argumenten

31.

Een feitelijk argument is een argument

a)

Dat je kunt controleren

b)

Dat je eigen mening bevat

c)

Dat vaak niet waar is

d)

Dat altijd klopt

32.

Een waarderend argument is een argument dat

a)

altijd waar is

b)

je kunt controleren

c)

een mening weergeeft

d)

een feit weergeeft

33.

Welke tekststructuur ziet er als volgt uit:

Inleiding: bepaald verschijnsel

Middenstuk: kenmerken/voorbeelden/verklaringen

Slot: samenvatting

a)

argumentatiestructuur

b)

aspectenstructuur

c)

verleden/heden/(/toekomst)structuur

d)

verklaringsstructuur

34.

Welke tekststructuur ziet er als volgt uit:

Inleiding: probleem

Middenstuk: gevolgen / oorzaken / oplossingen

Slot: de beste oplossing

a)

Probleem/oplossingstructuur

b)

Argumentatiestructuur

c)

Voor- en nadelenstructuur

d)

Vraag/antwoordstructuur

35.

Wat is een tekststructuur?

a)

Een opbouw van een tekst met tussenkopjes

b)

Een opbouw van tekst met titel, plaatjes en tussenkopjes

c)

Een vaste opbouw/indeling van inleiding, middenstuk en slot

d)

Een opbouw waarbij alle alinea's met elkaar te maken hebben

36.

Welke tekststructuur ziet er als volgt uit:

Inleiding: bepaald verschijnsel

Middenstuk: kenmerken/voorbeelden/verklaringen

Slot: samenvatting

a)

argumentatiestructuur

b)

aspectenstructuur

c)

verleden/heden/(/toekomst)structuur

d)

verklaringsstructuur

37.

Welke structuur ziet er als volgt uit:

Inleiding: onderwerp

Middenstuk: situatie vroeger / situatie nu

Slot: conclusie of situatie in de toekomst

a)

Verleden/heden(/toekomst)structuur

b)

Vraag/antwoordstructuur

c)

Voor- en nadelenstructuur

d)

Probleem/oplossingsstructuur