WorksheetsDT
Total questions: 6
Worksheet time: 3mins
Name
Class
Date
1.
In elke zin staat minimaal één werkwoord
a)
Waar
b)
Niet waar
2.
De stam is het stuk werkwoord dat nooit verandert.
Hoe vind je de stam van lachen?
a)
De ik-vorm
b)
Gebiedende wijs: lach!
c)
Het hele werkwoord - en
d)
Alle antwoorden zijn juist
3.
Een werkwoord in de tegenwoordige tijd
a)
geeft aan dat iets nu gebeurt of zo is
b)
geeft aan dat iets is gebeurd of zo is geweest
4.
Soms eindigt de stam van een werkwoord op een d.
a)
worden
b)
vinden
c)
Allebei juist
5.
Stam + t kun je horen.
a)
Hij werkt
b)
Jij lacht
c)
Beide juist
6.
Stam + t
a)
Hij wordt
b)
Hij word
100 %
