Font size
WorksheetsTaalverzorging H1 t/m H3 - herhaling
Total questions: 36
Worksheet time: 21mins
Wat is de persoonsvorm in de volgende zin: Hij at graag patat.
hij
at
graag
patat
Wat is de persoonsvorm in de volgende zin: De meisjes giechelden de hele les.
De meisjes
de hele les
giechelden
Schrijf de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd op de juiste manier: Martijn ... (vragen) Demi om kauwgom.
(a)
Schrijf de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd op de juiste manier: Dat ... (vinden) ik te vroeg.
(a)
Schrijf de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd op de juiste manier: Chocolade ... (behoren) tot mijn favoriete zoetigheid.
(a)
Schrijf de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd op de juiste manier: Jij ... (rijden) ook altijd te hard!
(a)
Wat is het voegwoord in de volgende zin: Ik ging slapen, omdat ik moe was.
Ik
slapen
moe
omdat
Wat is het voegwoord in de volgende zin: Oma is jarig, dus gaan we op visite.
oma
dus
jarig
visite
Wat is het voegwoord in de volgende zin: Hij leest een boek en zijn broer kijkt een serie.
(a)
Wat is het voegwoord in de volgende zin: Zij gaat naar het feest, hoewel ze niet is uitgenodigd.
(a)
Schrijf de persoonsvorm in de verleden tijd op de juiste manier: Ik ... (begrijpen) de vraag niet goed.
(a)
Schrijf de persoonsvorm in de verleden tijd op de juiste manier: De buurman ... (beschuldigen) ons van stelen.
(a)
Schrijf de persoonsvorm in de verleden tijd op de juiste manier: De schilder ... (schilderen) een hekje.
(a)
Schrijf de persoonsvorm in de verleden tijd op de juiste manier: De jongen ... (raken) de bal niet goed.
(a)
Schrijf de persoonsvorm in de verleden tijd op de juiste manier: Wij ... (schoppen) tegen het geschilderde hekje.
(a)
Schrijf het voltooid deelwoord op de juiste manier: Mijn vader heeft boos naar school ... (bellen).
(a)
Schrijf het voltooid deelwoord op de juiste manier: De agent heeft de fietser ... (bekeuren)
(a)
Schrijf het voltooid deelwoord op de juiste manier: De chirurg heeft de hele dag mensen ... (opereren)
(a)
Schrijf het voltooid deelwoord op de juiste manier: Ik heb mijn zusje tijdens een ruzie ... (slaan)
(a)
Schrijf het voltooid deelwoord op de juiste manier: De jongen heeft zijn vriend op een ijsje ... (trakteren)
(a)
Geef aan of het werkwoord sterk of zwak is: klagen
sterk
zwak
Geef aan of het werkwoord sterk of zwak is: lezen
sterk
zwak
Geef aan of het werkwoord sterk of zwak is: leven
sterk
zwak
Geef aan of het werkwoord sterk of zwak is: bouwen
sterk
zwak
Geef aan of het werkwoord sterk of zwak is: winkelen
sterk
zwak
Geef aan of het werkwoord sterk of zwak is: lopen
sterk
zwak
Schrijf op welke persoonsvormen in de zin zitten: Ik ga naar de winkel, omdat ik chips wil kopen.
(a)
Schrijf op welke persoonsvormen in de zin zitten: Als het goed is, wordt het boek besteld.
(a)
Schrijf op welke persoonsvormen in de zin zitten: Als het hard sneeuwt, hoef je niet naar school.
(a)
Wat is een voegwoord?
Welk leesteken moet op de plek van het {} staan? Ik ging wandelen {} omdat mijn band lek was.
.
,
!
?
Welk leesteken moet op de plek van het {} staan? Simone wilde niet gaan zwemmen {}
.
,
!
?
Welk leesteken moet op de plek van het {} staan? Waarom ga jij nooit mee naar de supermarkt {}
.
,
?
!
Welk leesteken moet op de plek van het {} staan? Ga zitten {}
.
,
?
!
Welk leesteken moet op de plek van het {} staan? Ik ging naar de supermarkt en kocht {} zes zakken pepernoten, een chocoladeletter en een stuk marsepein.
.
,
?
:
Welk leesteken moet op de plek van het {} staan? De leerling zei {} ''Ik heb geen zin in de les.''
.
,
:
''
