wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taalverzorging H1 t/m H3 - herhaling

Total questions: 36

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin: Hij at graag patat.

a)

hij

b)

at

c)

graag

d)

patat

2.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin: De meisjes giechelden de hele les.

a)

De meisjes

b)

de hele les

c)

giechelden

3.

Schrijf de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd op de juiste manier: Martijn ... (vragen) Demi om kauwgom.

(a)  

4.

Schrijf de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd op de juiste manier: Dat ... (vinden) ik te vroeg.

(a)  

5.

Schrijf de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd op de juiste manier: Chocolade ... (behoren) tot mijn favoriete zoetigheid.

(a)  

6.

Schrijf de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd op de juiste manier: Jij ... (rijden) ook altijd te hard!

(a)  

7.

Wat is het voegwoord in de volgende zin: Ik ging slapen, omdat ik moe was.

a)

Ik

b)

slapen

c)

moe

d)

omdat

8.

Wat is het voegwoord in de volgende zin: Oma is jarig, dus gaan we op visite.

a)

oma

b)

dus

c)

jarig

d)

visite

9.

Wat is het voegwoord in de volgende zin: Hij leest een boek en zijn broer kijkt een serie.

(a)  

10.

Wat is het voegwoord in de volgende zin: Zij gaat naar het feest, hoewel ze niet is uitgenodigd.

(a)  

11.

Schrijf de persoonsvorm in de verleden tijd op de juiste manier: Ik ... (begrijpen) de vraag niet goed.

(a)  

12.

Schrijf de persoonsvorm in de verleden tijd op de juiste manier: De buurman ... (beschuldigen) ons van stelen.

(a)  

13.

Schrijf de persoonsvorm in de verleden tijd op de juiste manier: De schilder ... (schilderen) een hekje.

(a)  

14.

Schrijf de persoonsvorm in de verleden tijd op de juiste manier: De jongen ... (raken) de bal niet goed.

(a)  

15.

Schrijf de persoonsvorm in de verleden tijd op de juiste manier: Wij ... (schoppen) tegen het geschilderde hekje.

(a)  

16.

Schrijf het voltooid deelwoord op de juiste manier: Mijn vader heeft boos naar school ... (bellen).

(a)  

17.

Schrijf het voltooid deelwoord op de juiste manier: De agent heeft de fietser ... (bekeuren)

(a)  

18.

Schrijf het voltooid deelwoord op de juiste manier: De chirurg heeft de hele dag mensen ... (opereren)

(a)  

19.

Schrijf het voltooid deelwoord op de juiste manier: Ik heb mijn zusje tijdens een ruzie ... (slaan)

(a)  

20.

Schrijf het voltooid deelwoord op de juiste manier: De jongen heeft zijn vriend op een ijsje ... (trakteren)

(a)  

21.

Geef aan of het werkwoord sterk of zwak is: klagen

a)

sterk

b)

zwak

22.

Geef aan of het werkwoord sterk of zwak is: lezen

a)

sterk

b)

zwak

23.

Geef aan of het werkwoord sterk of zwak is: leven

a)

sterk

b)

zwak

24.

Geef aan of het werkwoord sterk of zwak is: bouwen

a)

sterk

b)

zwak

25.

Geef aan of het werkwoord sterk of zwak is: winkelen

a)

sterk

b)

zwak

26.

Geef aan of het werkwoord sterk of zwak is: lopen

a)

sterk

b)

zwak

27.

Schrijf op welke persoonsvormen in de zin zitten: Ik ga naar de winkel, omdat ik chips wil kopen.

(a)  

28.

Schrijf op welke persoonsvormen in de zin zitten: Als het goed is, wordt het boek besteld.

(a)  

29.

Schrijf op welke persoonsvormen in de zin zitten: Als het hard sneeuwt, hoef je niet naar school.

(a)  

30.

Wat is een voegwoord?

4 lines
31.

Welk leesteken moet op de plek van het {} staan? Ik ging wandelen {} omdat mijn band lek was.

a)

.

b)

,

c)

!

d)

?

32.

Welk leesteken moet op de plek van het {} staan? Simone wilde niet gaan zwemmen {}

a)

.

b)

,

c)

!

d)

?

33.

Welk leesteken moet op de plek van het {} staan? Waarom ga jij nooit mee naar de supermarkt {}

a)

.

b)

,

c)

?

d)

!

34.

Welk leesteken moet op de plek van het {} staan? Ga zitten {}

a)

.

b)

,

c)

?

d)

!

35.

Welk leesteken moet op de plek van het {} staan? Ik ging naar de supermarkt en kocht {} zes zakken pepernoten, een chocoladeletter en een stuk marsepein.

a)

.

b)

,

c)

?

d)

:

36.

Welk leesteken moet op de plek van het {} staan? De leerling zei {} ''Ik heb geen zin in de les.''

a)

.

b)

,

c)

:

d)

''