Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Organen & Cellen, Thema 2, Jaar 1 BB

Total questions: 20

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Een orgaan is een deel van een organisme met een eigen taak?

a)

Waar

b)

Niet waar

2.

Welke van de volgende onderdelen hoort niet bij het verteringsstelsel?

a)

Lever

b)

maag

c)

Slokdarm

d)

Luchtpijp

3.

Het hart, de aorta en de holle ader zijn organen die samenwerken aan een taak. Hoe heet zo’n groep organen?

a)

Verteringsstelsel

b)

Orgaangroepen

c)

Orgaanstelsel

d)

Torso

4.

Welke van de volgende is geen orgaan van een plant?

a)

Blad

b)

Stengel

c)

Wortel

d)

Bladgroenkorrel

5.

Wortels hebben drie taken: Opnemen van water met voedingsstoffen, opslaan van reservevoedsel en rechtop kunnen blijven staan.

a)

Waar

b)

Niet waar

6.

De plant maakt zijn eigen voedsel, dit gebeurt in de wortels.

a)

Waar

b)

Niet waar

7.

De fotosynthese vindt plaats in de … (kies wat op de puntjes moet staan)

a)

Bladeren

b)

Nerven

c)

Bloemen

d)

Stengels

8.

Nadi zegt: ‘De stengel geeft stevigheid aan de plant.’ Jesse zegt: ‘De stengel vervoert water en voedingsstoffen door vaten.’ Wie heeft gelijk?

a)

Nadi heeft gelijk

b)

Jesse heeft gelijk

c)

Beide hebben gelijk

d)

Beide hebben geen gelijk

9.

Hoe het onderdeel waar je de microscoop beet pakt?

a)

Tafel

b)

Statief

c)

Tubus

d)

Preparaat

10.

De objectieven zitten vast aan het diafragma.

a)

Waar

b)

Niet waar

11.

De totale vergroting kan je bereken door: vergroting oculair …. Vergroting objectief = totale vergroting. Wat hoort er op de puntjes te staan? 

a)

 ++  

b)

 −-  

c)

 ×\times  

d)

 ÷\div 

12.

Naar welk onderdeel wijst nummer 7?

a)

Lamp

b)

Diafragma

c)

Revolver

d)

Tubus

13.

Waarvoor wordt onderdeel 4 gebruikt?

a)

Voor meer licht

b)

Voor het draaien van de objectieven

c)

Om de preparaten vast te zetten

d)

Om de tafel te bewegen en scherp te stellen

14.

Cellen van een mens en van een parkiet hebben dezelfde bouw.

a)

Waar

b)

Niet waar

15.

Een dierlijke cel bestaat uit celplasma, een celkern en een celwand.

a)

Waar

b)

Niet waar

16.

Wat is de functie van de celkern?

a)

Alles regelen in de cel

b)

Voedsel opnemen

c)

Stevigheid geven aan de cel

17.

Om het celplasma zit het … (Kies het juiste antwoord wat op de puntjes moet staan)

a)

Celmembraan

b)

Bladgroenkorrels

c)

Vacuole

d)

Celkern

18.

Hoe noemen we nummer 3?

a)

Bladgroenkorrel

b)

Celplasma

c)

Cytoplasma

d)

Celmembraan

19.

Wat voor functie heeft nummer 5?

a)

Stevigheid geven aan de cel

b)

Water opslaan

c)

Uitvoeren van fotosynthese

20.

Welke van de volgende onderdelen hebben de plantencel en de dierlijke cel niet gemeenschappelijk?

a)

Celkern

b)

Bladgroenkorrels

c)

Celmembraan

d)

Celwand

e)

Vacuole