wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

oefenen hoofdstuk 3

Total questions: 40

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

In welk antwoord staan alleen voorbeelden van biotische factoren?

a)

wind, water en temperatuur

b)

soortgenoten, nestgelegenheid en ziekteverwekkers

c)

voedsel, water en bodem

d)

regen, roofdieren en ziekteverwekkers

2.

In welk antwoord staan alleen voorbeelden van abiotische factoren?

a)

licht, lucht en regen

b)

roofdieren, voedsel en soortgenoten

c)

temperatuur, water en voedsel

d)

wind, nestgelegenheid en bodem

3.

een olifant is

a)

een individu

b)

een populatie

c)

een levensgemeenschap

d)

een biotoop

e)

een ecosysteem

4.

In welk antwoord staan alleen voorbeelden van abiotische factoren?

a)

licht, lucht en regen

b)

roofdieren, voedsel en soortgenoten

c)

temperatuur, water en voedsel

d)

wind, nestgelegenheid en bodem

5.

een olifant is

a)

een individu

b)

een populatie

c)

een levensgemeenschap

d)

een biotoop

e)

een ecosysteem

6.

een bos of een weiland is een voorbeeld van

a)

een individu

b)

een populatie

c)

een levensgemeenschap

d)

een biotoop

e)

een ecosysteem

7.

populaties van verschillende soorten samen noem je

a)

een individu

b)

een populatie

c)

een levensgemeenschap

d)

een biotoop

e)

een ecosysteem

8.

Hoe noemen we de levende invloeden uit de natuur?

a)

Ecosysteem

b)

Biotoop

c)

Abiotische invloeden

d)

Biotische invloeden

9.

Wat is GEEN voorbeeld van een abiotische invloed?

a)

Temperatuur

b)

Wind

c)

Zonlicht

d)

Een omgevallen boom

10.

De plant staat in de zon en heeft genoeg water. De muis heeft reserves genoeg voor het experiment. Kan de muis blijven leven?

a)

ja

b)

nee

11.

Het proces waarbij suiker gemaakt wordt in de plant heet ..

a)

verbranding

b)

fotosynthese

12.

Het proces waarbij suiker verbruikt wordt in de plant heet ..

a)

verbranding

b)

fotosynthese

13.

Je ziet op deze afbeelding een wandelend blad in de aanvalshouding. Zij staat in het licht. Zij eet bladeren. Stel er is geen voedsel voor haar, zou zij zich zelf dan in leven kunnen houden met haar eigen lichaam?

a)

ja, zij kan zelf fotosynthese doen

b)

nee, zij kan alleen verbranding doen

c)

ja, want zij kan zowel fotosynthese als verbranding doen

14.

Welk deel van de plant eet je als je deze groente eet?

a)

wortel

b)

stengel

c)

blad

d)

bloem

15.

Welk deel van de plant eet je als je deze groente eet?

a)

wortel

b)

stengel

c)

blad

d)

bloem

16.

Welk deel van de plant eet je als je deze groente eet?

a)

wortel

b)

stengel

c)

blad

d)

bloem

17.

Welk deel van de plant eet je als je deze groente eet?

a)

wortel

b)

stengel

c)

blad

d)

bloem

18.

Welke letter wijst een vaatbundel aan?

a)

P

b)

Q

c)

R

d)

S

19.

Welke twee stoffen neemt een plant op via de wortels?

a)

water

b)

mineralen

c)

zuurstof

d)

koolstofdioxide

20.

Welke stof neemt een plant op via de bladeren?

a)

water

b)

mineralen

c)

zuurstof

d)

koolstofdioxide

21.

De bovenstaande afbeelding is een duidelijk voorbeeld van een ...

a)

voedselweb

b)

voedselketen

c)

voedselkringloop

22.

De bovenstaande afbeelding is een duidelijk voorbeeld van een ...

a)

voedselweb

b)

voedselketen

c)

voedselkringloop

23.

De bovenstaande afbeelding is een duidelijk voorbeeld van een ...

a)

voedselweb

b)

voedselketen

c)

voedselkringloop

24.

Welk organisme is de producent in deze voedselpiramide?

a)

bladluis

b)

lieveheersbeestje

c)

mus

d)

havik

e)

geen organisme

25.

Geef het juiste begrip voor:


Een groene plant, maakt zijn eigen voedsel aan.

(a)  

26.

Geef het juiste begrip voor:


Een dier dat zich voedt met een ander organisme.

(a)  

27.

Welke voedselketen klopt?

a)

havik --> muis --> eik

b)

eik --> eekhoorn --> bonte specht --> havik

c)

eik --> rups --> koolmees --> havik

d)

eik --> muis --> everzwijn --> havik

28.

Welk synoniem gebruiken we voor de schimmels en bacteriën in de bodem die het afval verwerken?

(a)  

29.

Onder welk soort organisme kunnen we volgende diersoort plaatsen: eekhoorntjesbrood

a)

producent

b)

consument

c)

reducent

d)

detrivoor

30.

Koolstofdioxide wordt omgezet in zuurstof door

a)

planten

b)

dieren

c)

schimmels

d)

bacteriën

31.

In de lucht die je uitademt

a)

zit meer koolstofdioxide dan in de lucht die je inademt

b)

zit meer zuurstof dan in de lucht die je inademt

32.

Koolstofdioxide wordt in jouw lichaam gemaakt tijdens

a)

fotosynthese

b)

verbranding

33.

Dit dier is een

a)

planteneter

b)

vleeseter

c)

alleseter

34.

Dit dier is een

a)

planteneter

b)

vleeseter

c)

alleseter

35.
Wat voor een soort voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming.
36.
In een voedselketen wordt de biomassa in elke volgende schakel kleiner.
a)
juist
b)
onjuist
37.

In een pramide van biomassa gaat energie verloren door

a)

de verbranding

b)

de fotosynthese

c)

de verbranding en fotosynthese

38.

Bij welk nummer gaat koolstof als CO2 de producenten i?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

39.

Deze figuur geeft een voedselweb aan want

a)

er zijn geen reducenten

b)

er zijn geen consumenten

c)

er zijn geen producenten

40.

In deze figuur zie je

a)

producenten

b)

planteneters

c)

vleeseters

d)

reducenten