wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

werkwoordspelling les 1 (25-11-2021)

Total questions: 12

Worksheet time: 3hrs 0mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de stam van een werkwoord?

a)

De stam van een werkwoord is de ik-vorm.

b)

De stam is het kortste deel van het werkwoord.

c)

De stam is het hele werkwoord -en.

d)

De stam is het deel dat bij de eerste persoon enkelvoud, past.

2.

Wat is de stam van het werkwoord 'zoeken'?

a)

Hij zoekt.

b)

Ik zoek.

c)

De stam is het werkwoord in de tegenwoordige tijd.

d)

De stam van 'zoeken' is 'zoek'.

3.

Wat is de stam van het werkwoord 'vinden'?

a)

zoek

b)

vind

c)

vindt

d)

ik vind

4.

De stam van het werkwoord is altijd het hele werkwoord -en.

a)

Ja, precies

b)

Ja, in de tegenwoordige tijd wel, maar in de verleden tijd niet.

c)

Nee, ook niet in de tegenwoordige tijd want de stam bestaat niet.

d)

Nee, alleen als je gebruik maakt van 'T eX KoFSCHiP.

5.

De stam van het werkwoord bakken is:

a)

ik bak

b)

bak

c)

bakt

d)

bakk

6.

de ik-vorm van bakken is:

a)

bakk

b)

bakt

c)

bakte

d)

bak

7.

De stam van lopen is:

a)

ik lop

b)

ik loop

c)

lop

d)

lopt

8.

De stam van een werkwoord is hetzelfde als ik ik-vorm.

a)

Nee, zeker niet. Nooit.

b)

Alleen in de verleden tijd.

c)

Alleen bij werkwoorden zoals lopen, verhuizen, durven, bakken et cetera.

d)

Alleen bij werkwoorden zoals werken, zoeken, vinden, houden, drinken et cetera.

9.

De stam van een werkwoord is hetzelfde als ik ik-vorm.

a)

Nee, zeker niet. Nooit.

b)

Alleen in de verleden tijd.

c)

Alleen bij werkwoorden zoals lopen, verhuizen, durven, bakken et cetera.

d)

Alleen bij werkwoorden zoals werken, zoeken, vinden, houden, drinken et cetera.

10.

Soms moet je van de stam van een werkwoord een letter weghalen om de ik-vorm te maken.

a)

Nee, kijk maar naar drinken, dat is altijd zo.

b)

Ja, kijk naar 'bakken'. De stam is 'bakk'. Maar je zegt: ik bak. Dan is er een 'k' minder.

c)

Ja, kijk naar 'lopen'. De stam is loop. Je zegt 'ik loop'.

d)

Nee, soms moet er wel een letter bij, maar nooit eraf.

11.

Het eerste antwoord is de stam, het tweede is de ik-vorm,

-houden-

a)

houd, houdt

b)

houdt, houdt

c)

houd, houd

d)

houd, houden

12.

Tijd voor een illusie?

Welke lijn is het langst

a)

de bovenste

b)

de onderste

c)

Allebei even groot