wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

K4 Voeding en vertering Bs1

Total questions: 18

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

In een proef wordt uit een liter melk yoghurt gemaakt. Hiervoor worden bacteriën toegevoegd aan de melk.

Neemt de hoeveelheid energierijke stoffen in de melk in de loop van deze proef af, blijft deze gelijk of neemt deze toe?

a)

neemt toe

b)

blijft gelijk

c)

neemt af

2.

In de afbeelding is het verband tussen de temperatuur en de activiteit van een bepaald enzym in een diagram weergegeven.

Bij welke temperaturen is dit enzym tijdelijk onwerkzaam?

a)

Alleen bij temperaturen onder de 10 graden

b)

Alleen bij temperaturen onder de 35 graden

c)

Alleen bij temperaturen boven de 50 graden

d)

zowel bij temperaturen onder de 10 graden als bij temperaturen boven de 50 graden.

3.

In de afbeelding is het verband tussen de temperatuur en de activiteit van een bepaald enzym in een diagram weergegeven.

Wat is de optimumtemperatuur?

a)

10 graden

b)

35 graden

c)

50 graden

4.

In de afbeelding is het verband tussen de zuurgraad en de activiteit van een bepaald enzym in een diagram weergegeven.

Wat is de optimum-pH voor dit enzym?

a)

pH van 0

b)

pH van 2

c)

pH van 3,5

5.

Iemand maakt een schema van de werking van enzymen (zie de afbeelding). Hierbij geldt: E = enzym en V = voedingsstof waarop het enzym inwerkt.

Kan dit schema de enzymwerking juist weergeven?

a)

ja

b)

nee

6.

Drie methoden om voedselbederf door bacteriën en schimmels tegen te gaan, zijn invriezen, pasteuriseren en steriliseren.

Bij welke van deze methoden kan voedsel het langst houdbaar worden gemaakt?

a)

invriezen

b)

pasteuriseren

c)

steriliseren

7.

Elk jaar lopen zo’n 680 000 mensen in Nederland een voedselvergiftiging op. Dit wordt meestal veroorzaakt door het eten van bedorven voedsel en kan leiden tot koorts, diarree, braken en buikpijn.

Wanneer is de kans op voedselbederf het grootst: in de winter of in de zomer?

a)

in de zomer

b)

in de winter

8.
Conserveren is:
a)
Voedsel behandelen zodat schimmels en bacteriën doodgaan en goed kunnen groeien
b)
Voedsel behandelen zodat schimmels en bacteriën niet doodgaan en niet goed kunnen groeien
c)
Voedsel behandelen zodat schimmels en bacteriën doodgaan en niet goed kunnen groeien
9.
Manieren om voedsel te conserveren zijn
a)
vacuüm verpakken
b)
drogen
c)
steriliseren
d)
alle antwoorden zijn manieren van conserveren
10.

Wat betekent het woord conserveren?

a)

Dat is een ander woord voor geur.

b)

Delen van een plant die het eten smaak geven, zoals kaneel.

c)

Genieten van lekker eten.

d)

Zorgen dat het eten langer goed blijft.

11.

Door welke manier van conserveren worden alle bacteriën gedood?

a)

Drogen

b)

Pastauriseren

c)

Sterriliseren

d)

Invriezen

12.
Uit dit plaatje over enzymwerking blijkt 
(pepsine is een enzym dat in de maag gemaakt wordt)
a)
dat het maar één stof afbreekt
b)
dat het na de reactie weer bruikbaar is
c)
dat het werkt bij een bepaalde zuurgraad (pH)
d)
dat het meer dan één stof afbreekt
13.
Het enzym trypsine werkt het best bij een zuurgraad van
a)
6
b)
8
c)
2
d)
9
14.

Welke conserveermiddelen zijn natuurlijk? (meerdere antwoorden kunnen goed zijn)

a)

Zuur toevoegen

b)

Zoet toevoegen

c)

Kleurstoffen

d)

Geurstoffen

e)

Smaakstoffen

15.

Wat is de ideale temperatuur voor bacteriën/schimmels om te ontwikkelen?

a)

tussen 10° en 40° C

b)

tussen 40° en 75° C

c)

tussen 0° en 30° C

d)

het maakt niet uit

16.

Je verhit melk tot 72 graden, waardoor de meeste bacteriën dood gaan. Hoe heet deze manier van conserveren?

a)

Steriliseren

b)

Pasteuriseren

c)

Invriezen

d)

Koelen

17.

In verteringssappen zitten enzymen. Een enzym is een stof die helpt met het omzetten van de ene stof in een andere stof. Het enzym zelf verandert niet. Er zijn heel veel verschillende enzymen. Bij de werking van enzymen wordt vaak de term: "sleutel-slot-principe" gebruikt. Wat wordt er bedoeld met deze term?

a)

Dat een enzym elke stof kan omzetten.

b)

Dat een bepaald soort enzym altijd helpt bij dezelfde omzetting.

c)

Dat elk enzym overal makkelijk bij kan en zijn werk kan doen.

d)

Dat een enzym niet verandert bij de omzetting van stoffen.

18.
Enzymen zorgen ervoor dat.....
a)
De verteringsreactie wordt versneld
b)
De voedingstoffen door het verteringsstelsel worden geduwd
c)
Vet met water kan mengen
d)
Bacteriën worden gedood