wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

verbanden en signwoorden K3 en B3

Total questions: 25

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Een aantal vriendinnen koopt samen een cadeau van 50 euro voor de verjaardag van Chantal.  


Er is dan sprake van een .... verband tussen het aantal vriendinnen en het bedrag per persoon.

a)

lineair

b)

exponentieel

c)

kwadratisch

d)

omgekeerd evenredig

2.
Waar vind je meestal de hoofdgedachte van een tekst?
a)
Inleiding + slot
b)
Tweede alinea
c)
Kern
d)
Titel
3.
Wat is de hoofdgedachte van een artikel?
a)
Het tekstdoel
b)
De kortst mogelijke samenvatting van de tekst
c)
Het onderwerp
d)
Waarom de schrijver de tekst heeft geschreven
4.

Wat is de woordraadstrategie?

a)

Hiermee kun je woorden leren kennen.

b)

Hiermee kun je woorden beter onthouden.

c)

Hiermee kun je de betekenis van woorden uit de tekst ontdekken.

d)

Hiermee kun je woorden leren onthouden.

5.

Wat is GEEN woordraadstrategie?

a)

Synoniem zoeken

b)

Tegenstelling vinden

c)

Definitie zoeken

d)

Omschrijving vinden

e)

Hoofdgedachte

6.
Wat is het schrijfdoel van een recensie? 
a)
overtuigen
b)
amuseren
c)
informeren
d)
activeren
7.
Wat is het schrijfdoel van een krantenbericht?
a)
amuseren
b)
instrueren
c)
overtuigen
d)
informeren
8.
Wat is het schrijfdoel van een stripverhaal?
a)
amuseren
b)
instrueren
c)
overtuigen
d)
activeren
9.
Welke tekstsoort hoort bij amuseren?
a)
ontspannende tekst
b)
recept
c)
folder
d)
schoolboek
10.
Welke tekstsoort hoort bij instrueren?
a)
krantenbericht
b)
strip
c)
stapsgewijze uitleg
d)
advertentie
11.
Welke tekstsoort hoort bij overtuigen?
a)
advertentie
b)
strip
c)
ingezonden brief
d)
recept
12.
Welke tekstsoort hoort bij activeren?
a)
advertentie
b)
verhaal
c)
ingezonden brief
d)
recept
13.
Wat moet je als eerst doen als je een tekst leest?
a)
Naar plaatjes, bron, titel, inleiding en slot kijken. 
b)
De tekst lezen.
c)
Naar plaatjes, bron en titel kijken.
d)
Naar de vragen kijken. 
14.
Aan welke vijf kenmerken herken je het publiek van een tekst? 
a)
inhoud, taalgebruik, bron, lay-out, afbeeldingen 
b)
onderwerp, inhoud, toon, taalgebruik, bron 
c)
toon, bron, lengte, onderwerp, prijs
d)
lay-out, prijs, toon, uiterlijk, spelling 
15.
Wat is een kernzin? 
a)
De belangrijkste zin die in een alinea staat. 
b)
De belangrijkste zin die in een tekst staat. 
c)
Een zin waarmee je als lezer de hele tekst samenvat. 
d)
Een zin waarmee je als lezer de alinea samenvat. 
16.
Waar vind je de hoofdgedachte van een tekst? 
a)
Niet, die moet je zelf bedenken. 
b)
In de inleiding en in het slot. 
c)
Altijd in de laatste alinea. 
d)
Altijd in de eerste alinea. 
17.
Welk schrijfdoel heeft de tekst op het plaatje? 
a)
amuseren 
b)
overtuigen 
c)
opiniëren 
d)
activeren 
18.
De computer is handig, ...............soms werkt niks goed.
a)
maar
b)
omdat
c)
en
d)
of
19.
Miriam voelt zich niet lekker ..............blijft liever thuis.
a)
maar
b)
omdat
c)
of
d)
en
20.
Jij kunt niet meedoen, ............. je moet op tijd naar huis.
a)
want
b)
omdat
c)
maar
d)
of
21.
Ik kijk niet, .............ik het eng vind.
a)
omdat
b)
maar
c)
want
d)
en
22.
Peter gaat naar huis, ............hij moet om 11 uur thuis zijn.
a)
omdat
b)
want
c)
of
d)
maar
23.
Ik pak mijn tas ...........mijn jas.
a)
of
b)
maar
c)
omdat
d)
en
24.
Wil je een koekje ..........een ijsje?
a)
of
b)
omdat
c)
maar
d)
dus
25.
Ik vind patat lekker, ..................pannenkoeken ook hoor.
a)
maar
b)
omdat
c)
zodat
d)
hoewel