wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taalverzorging 4B

Total questions: 43

Worksheet time: 51mins

Name
Class
Date
1.

Ik ben beter ... jij.

a)

als

b)

dan

2.

Peter is sterker ... zijn buurman.

a)

als

b)

dan

3.

Sonja is even groot ... haar nichtje.

a)

als

b)

dan

4.

Vul de trappen van vergelijking in voor ''goed''. Begin met de stellende trap en eindig met de overtreffende trap.

4 lines
5.

Vul de trappen van vergelijking in voor ''weinig''. Begin met de stellende trap en eindig met de overtreffende trap.

4 lines
6.

Vul de trappen van vergelijking in voor ''hoog''. Begin met de stellende trap en eindig met de overtreffende trap.

4 lines
7.

Welk leesteken moet op de plek van de [ ]? Mirthe schreeuwde: [ ] Loop door! [ ]

a)

.

b)

!

c)

''

d)

,

8.

Neem de zin over met de juiste leestekens erin.

Mama riep we gaan zo eten

4 lines
9.

Neem de zin over met de juiste leestekens erin.

Pas op een auto

4 lines
10.

Neem de zin over met de juiste leestekens erin.

In de winkel kocht ik een jas twee paar schoenen drie broeken en vier t-shirts

4 lines
11.

Schrijf uit de volgende zin alle woorden op die met een hoofdletter geschreven moeten worden.

In deventer kun je bij veel verschillende winkels winkelen.

4 lines
12.

Schrijf uit de volgende zin alle woorden op die met een hoofdletter geschreven moeten worden.

toen ik op vakantie ging naar mallorca met mijn beste vriend stijn, was het er ontzettend warm!

4 lines
13.

Welk woord is juist gespeld?

a)

ruitensproeier vloeistof

b)

ruiten sproeiervloeistof

c)

ruitensproeiervloeistof

d)

ruiten sproeier vloeistof

14.

Welk woord is juist gespeld?

a)

basis beroeps gericht

b)

basisberoepsgericht

c)

basis beroepsgericht

15.

Welk woord is juist gespeld?

a)

meervoudigepersoonlijkheidsstoornis

b)

meervoudige persoonlijkheidsstoornis

c)

meervoudige persoonlijkheid stoornis

16.

Wat is het meervoud van rund?

(a)  

17.

Wat is het meervoud van computer?

(a)  

18.

Wat is het meervoud van zee?

(a)  

19.

Wat is het meervoud van seconde?

(a)  

20.

Wat is het meervoud van baby?

(a)  

21.

Wat is het meervoud van hersenen?

(a)  

22.

Wat is het meervoud van cowboy?

(a)  

23.

Wat is het meervoud van stommerik?

(a)  

24.

Schrijf de pv tt op de juiste manier in de volgende zin:

Sam ... (volleyballen) na schooltijd altijd.

(a)  

25.

Schrijf de pv tt op de juiste manier in de volgende zin:

Waarom ... (worden) jij zo rood?

(a)  

26.

Schrijf de pv tt op de juiste manier in de volgende zin:

Mijn vader en ik ... (drinken) fris op een terrasje.

(a)  

27.

Schrijf de pv tt op de juiste manier in de volgende zin:

Zij (ev) ... (lezen) een spannend boek.

(a)  

28.

Schrijf de pv tt op de juiste manier in de volgende zin:

... (vinden) je docent dat ook?

(a)  

29.

Schrijf de pv tt op de juiste manier in de volgende zin:

Jij ... (zijn) het er niet mee eens, dat is wel duidelijk.

(a)  

30.

Schrijf de pv vt op de juiste manier in de volgende zin:

Ik ... (winkelen) afgelopen weekend.

(a)  

31.

Schrijf de pv vt op de juiste manier in de volgende zin:

De jongens ... (razen) buiten uit tijdens de storm.

(a)  

32.

Schrijf de pv vt op de juiste manier in de volgende zin:

Wij ... (zijn) erg teleurgesteld over de beslissing.

(a)  

33.

Schrijf de pv vt op de juiste manier in de volgende zin:

John ... (raken) de bal niet goed.

(a)  

34.

Schrijf de pv vt op de juiste manier in de volgende zin:

Hij ... (verhuizen) de afgelopen jaren elk jaar opnieuw.

(a)  

35.

Schrijf het voltooid deelwoord op de juiste manier in de volgende zin:

Waarom heeft het plannetje niet ... (werken)?

(a)  

36.

Schrijf het voltooid deelwoord op de juiste manier in de volgende zin:

De mevrouw heeft zich anders ... (voordoen).

(a)  

37.

Schrijf het voltooid deelwoord op de juiste manier in de volgende zin:

Zijn alle klassen op de klassenfoto ... (zijn)?

(a)  

38.

Schrijf het voltooid deelwoord op de juiste manier in de volgende zin:

Ik ben het afgelopen jaar drie keer van klas ... (wisselen).

(a)  

39.

Schrijf het voltooid deelwoord op de juiste manier in de volgende zin:

Ik ben ... (verhuizen).

(a)  

40.

... geven hun geld aan een goed doel.

a)

zij

b)

hen

c)

hun

41.

Ik geef het boek aan ...

a)

jou

b)

jouw

42.

... jullie goed hockeyen?

a)

kennen

b)

kunnen

43.

... het geld op tafel!

a)

leg

b)

ligt