wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

BUZZ - examen kerst (TH1 + TH2:OV1)

Total questions: 48

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.

Hoe noem je mensen die nog maar pas begonnen zijn met een zelfstandige activiteit? =

(a)  

2.

Welke motief zoek ik? "Ik moest wel het familiebedrijf verderzetten."

a)

Persoonlijk

b)

Maatschappelijk

c)

Economisch

3.

Welke motief zoek ik? "Zo zorg ik voor werkgelegenheid in mijn regio."

a)

Persoonlijk

b)

Maatschappelijk

c)

Economisch

4.

Welke motief zoek ik? "Nadat ik een mini-onderneming opstartte op school, wist ik dat ik ondernemer wilde worden."

a)

Persoonlijk

b)

Maatschappelijk

c)

Economisch

5.

Welke motief zoek ik? "Ik wil mijn eigen baas kunnen zijn."

a)

Persoonlijk

b)

Maatschappelijk

c)

Economisch

6.

Welke motief zoek ik? "Ik moet wel, anders heb ik geen inkomen."

a)

Persoonlijk

b)

Maatschappelijk

c)

Economisch

7.

Welk begrip zoek ik? "Een dienst verleend door een zelfstandig persoon die een voorafgaande opleiding heeft genoten en van daaruit hoofdzakelijk een intellectuele prestatie levert. Hij of zij draagt zelf de verantwoordelijkheid voor de dienstverlening, die op onafhankelijke wijze gebeurt in het belang van de opdrachtgever en/of in het algemeen belang."

a)

Zakelijke dienstverlening

b)

Vrij beroep

c)

Telecom

d)

Paramedicus

8.

Kies bij elk voorbeeld van een stakeholder van de onderneming Carrefour de juiste categorie. "de Belgische overheid"

a)

Interne

b)

Externe

c)

Interface

9.

Kies bij elk voorbeeld van een stakeholder van de onderneming Carrefour de juiste categorie. "leveranciers"

a)

Interne

b)

Externe

c)

Interface

10.

Kies bij elk voorbeeld van een stakeholder van de onderneming Carrefour de juiste categorie. "CEO"

a)

Interne

b)

Externe

c)

Interface

11.

Kies bij elk voorbeeld van een stakeholder van de onderneming Carrefour de juiste categorie. "Natuurpunt (ngo)"

a)

Interne

b)

Externe

c)

Interface

12.

Kies bij elk voorbeeld van een stakeholder van de onderneming Carrefour de juiste categorie. "klant bij Carrefour"

a)

Interne

b)

Externe

c)

Interface

13.

Deze zijn actief op de markt, bijvoorbeeld chemie, horeca, technologie.

(a)  

14.

Dit is een ondernemer die goederen en/of diensten levert tegen een bepaalde vergoeding

(a)  

15.

Dit is iemand die een onderneming opstart om economische activiteiten uit te oefenen met als doel om winst te maken.

a)

Leverancier

b)

Starter

c)

Ondernemer

d)

Vekoper

16.

Welk markttype past bij deze omschrijving: producten aanbieden aan één grote groep klanten met vergelijkbare behoeften en problemen

a)

Nichemarkt

b)

Gesegmenteerde markt

c)

Massamarkt

d)

Gediversifieerde markt

17.

Welk markttype past bij deze omschrijving: aanbieden aan verschillende klantsegmenten met totaal verschillende behoeften en problemen

a)

Nichemarkt

b)

Gesegmenteerde markt

c)

Massamarkt

d)

Gediversifieerde markt

18.

Welk markttype past bij deze omschrijving: producten aanbieden aan twee of meer klantsegmenten met weinig verschillen in behoeften en problemen

a)

Nichemarkt

b)

Gesegmenteerde markt

c)

Massamarkt

d)

Gediversifieerde markt

19.

Welk markttype past bij deze omschrijving: producten aanbieden die twee of meer klantsegmenten verbinden die min of meer onafhankelijk van elkaar zijn

a)

Nichemarkt

b)

Gesegmenteerde markt

c)

Massamarkt

d)

Multi-sided platforms

20.

Welk markttype past bij deze omschrijving: producten aanbieden aan een kleine groep klanten met specifieke behoeften en problemen

a)

Nichemarkt

b)

Gesegmenteerde markt

c)

Massamarkt

d)

Multi-sided platforms

21.

Welke "P" is hier van toepassing

a)

Prijs

b)

Product

c)

Promotie

d)

Plaats

22.

Welke "P" is hier van toepassing

a)

Prijs

b)

Product

c)

Promotie

d)

Plaats

23.

Welke "P" is hier van toepassing

a)

Prijs

b)

Product

c)

Promotie

d)

Plaats

24.

Welke "P" is hier van toepassing

a)

Prijs

b)

Product

c)

Promotie

d)

Plaats

25.

Welke twee "P's" ken je nog naast Promotie, Prijs, Product en Plaats?

(a)  

26.

"Datgene waar mensen nood aan hebben en/of naar verlangen. In economische zin gaat het over het spanningsveld tussen de behoefte van de consument die oneindig is en de middelen die echter beperkt (schaars) zijn."

a)

Behoeften

b)

Middelen

c)

Schaarste

d)

Tijd en geld

27.

"Een afgebakende groep mensen die een onderneming wil bereiken omdat ze mogelijk geïnteresseerd zijn in haar product, bijvoorbeeld jongeren tussen 10 en 14 jaar."

(a)  

28.

"Dit is het groeperen van klanten in verschillende segmenten (bijvoorbeeld naar leeftijd, beroep) die je met je onderneming wilt bereiken."

a)

Doelgroepen

b)

Marktsegmentatie

c)

Klantsegment

d)

Marketingstrategie

29.

"De markt wordt ingedeeld in verschillende doelgroepen."

a)

Doelgroepen

b)

Marktsegmentatie

c)

Klantsegment

d)

Marketingstrategie

30.

"Als ondernemer zul je een kostenschatting of (a)   moeten maken. Je zult proberen in te schatten welke kosten de verkoop van een goed of dienst met zich zal meebrengen.

31.

Wanneer het resultaat van een resultaatraming positief is spreken we van....

a)

Winst

b)

Verlies

c)

Geen van beide

32.

Wanneer het resultaat van een resultaatraming negatief is spreken we van....

a)

Winst

b)

Verlies

c)

Geen van beide

33.

Om een goed overzicht te krijgen van de kosten en opbrengsten zal een ondernemer een (a)   opstellen.

34.

“Bij Colruyt Group dragen wij respect hoog in het vaandel: iedereen is gelijkwaardig. Elk individu kan zichzelf zijn en zich verder ontwikkelen.”

a)

Waarden

b)

Missie

c)

Visie

35.

“Dove zet zich actief in om het zelfvertrouwen van alle vrouwen, en vooral jonge meisjes, positief te beïnvloeden en hen te inspireren om het beste uit hun leven te halen.”

a)

Waarden

b)

Missie

c)

Visie

36.

“Een computer op elk bureau en in elk huis die draait op Microsoft software.”

a)

Waarden

b)

Missie

c)

Visie

37.

Hoe noemen we de plaats waar aan online handel wordt gedaan?

(a)  

38.

Niet alle producten zijn even geschikt om online te verkopen.

a)

Juist

b)

Fout

39.

Vooral jongeren maken een probleem van verzendkosten.

a)

Juist

b)

Fout

40.

Ouderen missen het sociale contact bij e-commerce.

a)

Juist

b)

Fout

41.

Bepaal voor de volgende nadelen van e-commerce of ze te maken hebben met de producent of de consument. "extra verpakking nodig"

a)

Producent

b)

Consument

42.

Bepaal voor de volgende nadelen van e-commerce of ze te maken hebben met de producent of de consument. "tijdsdruk"

a)

Producent

b)

Consument

43.

Bepaal voor de volgende nadelen van e-commerce of ze te maken hebben met de producent of de consument. "gevaar voor overconsumptie"

a)

Producent

b)

Consument

44.

Welke reclametechniek wordt hier gebruikt?

a)

Exact pricing

b)

Charm pricing

c)

Schaarste

d)

Sociale bewijskracht

45.

Welke reclametechniek wordt hier gebruikt?

a)

Exact pricing

b)

Ankereffect

c)

Charm pricing

d)

Sociale bewijskracht

46.

Welke reclametechniek wordt hier gebruikt?

a)

Exact pricing

b)

Ankereffect

c)

Charm pricing

d)

Sociale bewijskracht

47.

Welke reclametechniek wordt hier gebruikt?

a)

Exact pricing

b)

Ankereffect

c)

Charm pricing

d)

Sociale bewijskracht

48.

Welke van de volgende producten zullen het minst snel online gekocht worden?

a)

Chocolade

b)

Kleding

c)

Auto

d)

Boeken