wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3L Kerst H1,2,3 3BKGT

Total questions: 65

Worksheet time: 32mins

Name
Class
Date
1.

Welk plaatje is een instruerend tekst doel

a)
b)
c)
d)
2.

welk plaatje is de activerende tekst?

a)
b)
c)
d)
3.

Welk plaatje is een informerende tekst?

a)
b)
c)
d)
4.

Welk tekstdoel is dit?

a)

Informeren

b)

Overtuigen

c)

Waarschuwen

d)

Tot handelen aanzetten

e)

Instrueren

5.

Een folder over tandhygiëne wil jou ...

a)

Amuseren

b)

Informeren

c)

Overtuigen

6.

Wat is géén kenmerk van het onderwerp

a)

Het is een woord of woordgroep

b)

Het bevat geen persoonsvorm

c)

Het vertelt waar de tekst over gaat

d)

Het is een hele zin

7.
Elke tekst gaat ergens over. Dat noem je
a)
alinea
b)
onderwerp
c)
hoofdgedachte
d)
tussenkopje
8.
Om het onderwerp te vinden, hoef je een tekst niet helemaal te lezen.
a)
goed
b)
fout
9.

Wat zijn hoofdzaken?

a)

Wat niet belangrijk is in een tekst.

b)

Het belangrijkste van de tekst in 1 zin samengevat.

c)

Wat het belangrijkste is in een tekst.

d)

De titel, inleiding en het slot.

10.

Waar staan meestal de bijzaken?

a)

In de titel

b)

In de inleiding

c)

In de kern

d)

In het slot

11.

Wat is de hoofdgedachte van de tekst?

a)

niet belangrijke zaken

b)

de belangrijkste zaken in een tekst

c)

staat altijd in de inleiding of het slot

d)

de tekst in 1 zin samengevat (het allerbelangrijkste van de tekst)

12.

Wat is de titel van de tekst?

a)

rood met witte strepen

b)

www.artsenzondergrenzen.nl

c)

Artsen zonder Grenzen

d)

Tekst 1

13.

Wat is de bron van de tekst?

a)

rood met witte strepen

b)

www.artsenzondergrenzen.nl

c)

Artsen zonder Grenzen

d)

Tekst 1

14.

Wat is het onderwerp van de tekst?

a)

Artsen zonder Grenzen

b)

medische hulp

c)

team van journalisten

d)

hulporganisaties

15.
Eén van de opties hieronder is geen tekstdoel. Welke?
a)
Informeren
b)
Instructie geven
c)
Verwijzen
d)
Overtuigen
16.
Waar vind je meestal de hoofdgedachte van een tekst?
a)
Inleiding + slot
b)
Tweede alinea
c)
Kern
d)
Titel
17.
Stel: een tekst heeft drie delen. Eén gaat over paardrennen, het tweede deel gaat over poker en het derde gaat over speelautomaten. Wat zal het onderwerp van deze tekst zijn?
a)
Maneges
b)
Sporten
c)
de Nederlandse overheid
d)
Gokken
18.

In teksten hebben zinnen en alinea's met elkaar te maken. Ze houden verband met elkaar.

a)

waar

b)

niet waar

19.

Een opsomming herken je aan signaalwoorden zoals:

a)

ten eerste, ten tweede, om te beginnen

b)

omdat, bijvoorbeeld

c)

als, indien, wanneer

20.

Je kunt een opsomming herkennen aan het volgende leesteken...

a)

.

b)

:

c)

"

21.

Een tegenstelling herken je aan signaalwoorden zoals:

a)

bijvoorbeeld, zoals

b)

ten eerste, ten tweede

c)

hoewel, echter, toch

22.

Wanneer noemen we een zin samengesteld?

a)

Als er meerdere werkwoorden in de zin staan.

b)

Als er meer dan 1 persoonsvorm in staat.

c)

Als er 1 persoonsvorm in de zin staat.

23.
Als het oudejaarsavond is, steken wij vuurwerk af.
Enkelvoudige of samengestelde zin?
a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
24.

Ik ga naar de markt, omdat ik appels wil kopen.

Zoek de persoonsvorm(en)!

a)

ga

b)

wil kopen

c)

ga en wil

d)

kopen

25.

Wat zijn voegwoorden?

a)

Dat zijn woorden waarmee je zinnen aan elkaar voegt.

b)

Voegwoorden zijn woorden die een zin vragend maken.

26.

Wat is het voegwoord?


Wanneer ik Femke zie, zal ik het haar vragen.

a)

wanneer

b)

zal

c)

zie

27.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Wij repareren uw fiets .... u boodschappen doet!

a)

intussen

b)

terwijl

c)

want

28.

Welk voegwoord moet worden ingevuld?


Kampioen zullen zij niet worden, … er een wonder gebeurt.

a)

tenzij

b)

indien

c)

doordat

29.

Wat is het voegwoord?


Zodra het startschot klinkt, starten de schaatsers.

a)

klinkt

b)

starten

c)

zodra

30.
Zoek in deze zinnen de persoonsvormen.
Harry Potter houdt van Hermelien, maar heeft een hekel aan Voldemort.
a)
Harry Potter en Hermelien
b)
houdt en heeft
c)
houdt en maar
d)
hekel en houdt
31.

Hoeveel persoonsvormen heeft de volgende zin? De leerlingen uit A3C moeten morgenochtend nakomen, omdat ze zich gisteren niet gemeld hebben bij de conciërge.

a)

3; moeten, nakomen, hebben

b)

2; moeten, hebben

c)

1; moeten

d)

4; moeten, nakomen, gemeld, hebben

32.

Een zin met meerdere persoonsvormen noem je ook wel een:

a)

enkelvoudige zin

b)

ingewikkelde zin

c)

samengestelde zin

d)

hoofdzin

33.

In een samengestelde zin vind je de persoonsvormen door de ... toe te passen.

a)

vraagproef

b)

tijdproef

34.

Om erachter te komen of je een voltooid deelwoord met een -t of een -d schrijft, gebruik je de ...

(a)  

35.

Jelle heeft een spannend avontuur (beleven)

a)

beleeft

b)

beleefd

c)

beleefdt

36.

Jitse (plakken, vt) de postzegels in het boek.

a)

plakte

b)

plakde

c)

plaktte

37.

De minister (melden) vorig kwartaal nog dat alles leek mee te vallen.

a)

melde

b)

meldde

38.

Hoeveel dat allemaal moest (kosten), was gisteren nog niet bekend.

a)

kosten

b)

kostten

39.

In de afgelopen maanden is de schuld helaas sterk (groeien).

a)

gegroeid

b)

gegroeit

c)

gegroeidt

40.

Verbaasd vroeg zij zich af, waar ze haar pen had neergelegd?

a)

Er moet geen komma in deze zin.

b)

Het vraagteken moet weggelaten worden.

Hier moet een punt staan.

c)

Achter verbaasd moet een komma.

41.

Als ik naar buiten ga doe ik mijn jas wel even aan.

Waar moet in deze zin de komma?

a)

achter als

b)

achter ga

c)

achter jas

d)

achter doe

42.

Ik liep naar buiten, en riep, dat iedereen naar binnen moest komen.

a)

Alle komma's staan goed.

b)

De komma voor het woordje en moet worden weggelaten.

c)

De komma achter riep moet weggelaten worden.

43.

Persoonsvorm:

Wie van jullie is komen lopen?

a)

lopen

b)

is

c)

wie van jullie

d)

komen

44.

Persoonsvorm:

Daar heeft hij een geweldige overwinning behaald?

a)

daar

b)

hij

c)

heeft

d)

behaald

45.

Welke zin is goed?

a)

Een paar laarzen kost meer dan een paar sneakers.

b)

Een paar laarzen kosten meer dan een paar sneakers.

46.

Welke zin is goed?

a)

Als u de bon meeneemt, krijgt u en uw vriendin korting .

b)

Als u de bon meeneemt, krijgen u en uw vriendin korting.

47.

Welke zin is goed?

a)

Het aantal aanmeldingen voor de kleurcursus zijn groot.

b)

Het aantal aanmeldingen voor de kleurcursus is groot.

48.

Wat betekent het woord heisa?

a)

in blinde haat

b)

een soort apparaat

c)

gedoe, drukte

d)

overdreven

49.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Ik heb je verhaal gelezen, maar je opdracht nog niet nagekeken.

a)

Tegenstellend

b)

Toelichtend

c)

Vergelijkend

d)

Voorwaardelijk

50.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband tegenstelling?

a)

maar

b)

tevens

c)

dan

d)

als

51.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband voorbeeld?

a)

zo

b)

net als

c)

omdat

d)

bovendien

52.
Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband oorzaak-gevolg?
a)
daarmee
b)
daardoor
c)
want
d)
daarom
53.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband tijdsvolgorde?

a)

Eerst

b)

En

c)

Doordat

d)

Bijvoorbeeld

54.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Slechte nachten zorgt voor chagrijnige mensen . Ook ongezonde voeding zorgt voor een slecht humeur.

a)

Tijdsvolgorde

b)

Tegenstelling

c)

Oorzaak-gevolg

d)

Opsomming

55.

Voorbeelden van signaalwoorden zijn:

a)

Maar, en, toch, daarna, ten slotte.

b)

Juist, deze, hij, die.

c)

Dat, doen, daar, het, om, uit.

d)

Geen van allen.

56.

Hij (beantwoorden v.t.) deze vraag.

a)

beantwoorde

b)

beantwoordt

c)

beantwoordde

d)

beantwoorden

57.

Mevrouw Veenstra is de afgelopen dagen ziek (zijn).

a)

geweest

b)

geworden

c)

gewezen

58.

Als je nog mee op kamp wilt: (melden) je nu aan!

a)

meld

b)

meldt

59.

Morgen (worden) mijn salaris gestort.

a)

wort

b)

word

c)

wordt

60.

Aan de uitvoering van het toneelstuk is flink (schaven).

a)

geschaven

b)

geschaaft

c)

geschaafdt

d)

geschaafd

61.

In die fraaie boerderij (woeden) vorig jaar een stevige brand.

a)

woedde

b)

woede

c)

woedden

62.

Het (verwoesten) gebouw, staat er verlaten bij.

a)

verwoestte

b)

verwoestten

c)

verwoeste

d)

verwoesste

63.

De (verlichten) straten waren prachtig om te zien.

a)

verlichten

b)

verlichte

c)

verlichtte

d)

verlichtten

64.

De jongen (ontbloten) zijn bovenarm, omdat er een behoorlijke schaafwond zat.

a)

ontblootte

b)

ontblootten

c)

ontbloote

d)

ontblote

65.

Op de (ontbloten) arm was inderdaad een behoorlijke wond te zien.

a)

ontbloten

b)

ontblootte

c)

ontblote