wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhalingsoefeningen trimester 2

Total questions: 60

Worksheet time: 36mins

Name
Class
Date
1.

Welke reeks is correct alfabetisch gerangschikt?

a)

Albert Alfons Alfred Alice Alja

b)

Alice Albert Alfred Alfons Alja

c)

Albert Alice Alfons Alja Alfred

d)

Alfons Alfred Alice Albert Alja

2.

Welke reeks is correct alfabetisch gerangschikt?

a)

bloes - blauw - broek - braaf

b)

braaf - bloes - blauw - broek

c)

blauw - broek - braaf - bloes

d)

blauw - bloes - braaf - broek

3.

Welk lidwoord is juist?

a)

de romance

b)

het romance

c)

beide lidwoorden zijn juist

4.

Wat is het meervoud van 'romance'?

a)

romancen

b)

romances

c)

romancen en romances zijn correct

5.

Wat wordt bedoeld met de rood omcirkelde informatie?

a)

de vertaling van het woord

b)

de betekenis van het woord

c)

de uitspraak van het woord

d)

het meervoud van het woord

6.

Welke schrijfwijze is juist?

a)

abbonement

b)

abonnement

c)

abbonnement

d)

abonoment

7.

Tijdens de Tungrirun plant de politie strenge veiligheidsmaatregelen.

... wil vermijden dat het verkeer op het parcours rijdt.

a)

het

b)

hij

c)

ze

d)

hem

8.

Donald Trump en Vladimir Poetin telefoneren om een einde te maken aan de oorlog in Oekraïne.

a)

wat?

b)

wie?

c)

wanneer?

d)

waar?

9.

... telefoneren Donald Trump en Vladimir Poetin?

Donald Trump en Vladimir Poetin telefoneren om een einde te maken aan de oorlog in Oekraïne

(a)  

10.

Wat is de functie van de inleiding in een tekst?

a)

gedetailleerd vertellen waarover de tekst zal gaan

b)

beknopt vertellen waarover de tekst zal gaan

c)

de tekst afronden

11.

In welk tekstgedeelte vind je de meest gedetaiileerde informatie?

a)

inlieiding

b)

midden

c)

slot

d)

titel

12.

Wat doet de auteur in het slot van een tekst?

a)

nieuwe informatie geven

b)

de tekst afronden

c)

de hoofdzaken herhalen

d)

reclame maken voor een andere tekst

13.

Waarom oriënterend lezen?

a)

om een eerste indruk van de tekst te krijgen

b)

om het onderwerp en de hoofdpunten uit de tekst te halen

c)

om gedetailleerd te weten wat in de tekst staat

d)

om onderwerp, teksttype en doelpubliek te achterhalen

14.

Ik let op de titel, tussentitels, inleiding, slot en lees de eerste en de laatste zin van elke alinea.

a)

ik lees globaal

b)

ik lees oriënterend

15.

Wat zijn synoniemen?

a)

Twee woorden die je anders schrijft maar (ongeveer) hetzelfde betekenen.

b)

Twee woorden die je hetzelfde schrijft en hetzelfde betekenen.

c)

Twee woorden die je anders schrijft en iets anders betekenen.

16.

Koning Filip ... zijn maaltijd in de balzaal.

(a)  

17.

Het synoniem voor afwezig.....

a)

Intimideren

b)

absent

c)

present

d)

ongetwijfeld

18.

Het synoniem voor ongetwijfeld...

a)

zeker

b)

nooit

c)

functioneren

d)

intelligent

19.

Het synoniem voor nadoen...

a)

intimideren

b)

logisch

c)

imiteren

d)

controleren

20.

Vaat- en wasmachines verlichten de huishoudelijke taken.

a)

belichten

b)

verminderen

c)

vergemakkelijken

d)

beschijnen

21.

Gaat het? Moet ik helpen?

a)

beweegt

b)

functioneert

c)

lukt

d)

vertrekt

22.

Gelukkig kregen we reductie. Door deze korting viel de toegangsprijs mee.

a)

reductie = opslag

b)

reductie = korting

c)

reductie = toegangsprijs

d)

reductie = staanplaats

23.

Kun je alstublieft nog eens recapituleren? Ik heb deze herhaling echt wel nodig.

a)

recapituleren = articuleren

b)

recapituleren = roepen

c)

recapituleren = herhalen

d)

recapituleren = begrijpen

24.

Noteer het juiste bijvoeglijke naamwoord.

Iedereen vindt Kris en Paul (prachtig/prachtige) koppel.

(a)  

25.

Lees de zin. Bekijk de woorden die je krijgt en duid de zelfstandige naamwoorden aan.

Gisteren heeft moeder bij Mediamarkt een nieuwe televisie voor vader moeten kopen.

a)

moeder

b)

Mediamarkt

c)

nieuwe

d)

voor

e)

moeten

26.

Lees de zin. Bekijk de woorden die je krijgt en duid de bijvoeglijke naamwoorden aan.

Gisteren heeft moeder bij Mediamarkt een nieuwe televisie voor vader moeten kopen.

a)

moeder

b)

Mediamarkt

c)

nieuwe

d)

voor

e)

moeten

27.

Lees de zin. Bekijk de woorden die je krijgt en duid de zelfstandige naamwoorden aan.

Ze wilden een barbecue kopen voor de jarige collega.

a)

ze

b)

wilden

c)

een

d)

barbecue

e)

jarige

28.

Lees de zin. Bekijk de woorden die je krijgt en duid de bijvoeglijke naamwoorden aan.

Ze wilden een barbecue kopen voor de jarige collega.

a)

ze

b)

wilden

c)

een

d)

barbecue

e)

jarige

29.

... boek

a)

de

b)

het

30.

... huis

a)

de

b)

het

31.

Heb jij het nieuwe spel van Pokémon ook al gespeeld?

Welke woordsoort is 'Pokémon'?

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

32.

Heb jij het nieuwe spel van Pokémon ook al gespeeld?

Welke woordsoort is 'gespeeld'?

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

33.

De politie denkt dat mijn oudste broer lid is van een criminele bende.

Hoeveel bijvoeglijke naamwoorden bevat deze zin?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

34.

Die lerares is erg streng. ... kijkt me altijd boos aan.

a)

Hij

b)

Zij

c)

Het

35.

Geef een antoniem voor dronken.

a)

pessimistisch

b)

actief

c)

nuchter

36.

Wat betekent -on in 'onnodig'?

a)
opnieuw
b)
zonder
c)
niet
37.

Wat is géén synoniem voor "mening"?

a)

opvatting

b)

opinie

c)

verhaal

d)

overtuiging

38.

Wat is het antoniem van modern?

a)

ouderwets

b)

nieuw

c)

hip

39.

Wat is een synoniem voor 'enquête'?

a)

rangschikking

b)

onderzoek

c)

omschrijving

d)

reactie

40.

Wat is een antoniem voor concreet?

a)

geleidelijk

b)

gemakkelijk

c)

abstract

d)

feedback

41.

Om problemen te ..., houd je best rekening met een aantal tips.

a)

appreciëren

b)

rangschikken

c)

ordenen

d)

vermijden

42.

Er komt veel geweld voor in die nieuwe film. Ik geloof niet dat veel kijkers dat zullen ...

a)

observeren

b)

waarderen

c)

akkoord gaan met

d)

ordenen

43.

Mijn huisgenoten lopen naar buiten als ik begin te zingen. Ze ... mijn zangtalent niet echt.

a)

beoordelen

b)

appreciëren

c)

rangschikken

d)

vermijden

44.

Welk zelfstandig naamwoord kun je afleiden van het werkwoord rangschikken?

(a)  

45.

Welk werkwoord kun je afleiden van het zelfstandig naamwoord beschrijving?

(a)  

46.

Welk werkwoord kun je afleiden van het bijvoeglijk naamwoord concreet?

(a)  

47.

De namen van maanden schrijf je met een hoofdletter.

a)

fout

b)

juist

48.

Welke woorden moet je met een hoofdletter schrijven?

maria kijkt met kerstmis naar the grinch.

a)

maria

b)

kijkt

c)

met

d)

kerstmis

e)

the grinch

49.

Welke woorden moet je met een hoofdletter schrijven?

leest mark elke dag het laatste nieuws?

a)

leest

b)

mark

c)

elke

d)

dag

e)

het laatste nieuws

50.

Herschrijf het woord dat een hoofdletter moet krijgen.

Ik kan het west-vlaamse dialect moeilijk verstaan.

(a)  

51.

Herschrijf het woord dat een hoofdletter moet krijgen.

Vanaf de mount everest kun je de aarde heel goed zien.

(a)  

52.

Herschrijf het woord dat een hoofdletter moet krijgen.

In de paasvakantie zal mijn vader een nieuwe peugeot kopen.

(a)  

53.

Herschrijf het woord dat een hoofdletter moet krijgen.

Mijn lunch bestaat uit een boterham met een sneetje gouda en parmaham.

(a)  

54.

Beweeg regelmatig ondanks de hoge temperatuur!

a)

hoofdwerkwoord = persoonsvorm (PV)

b)

hoofdwerkwoord = voltooid deelwoord (VD)

c)

hoofdwerkwoord = imperatief (IMP)

d)

hoofdwerkwoord = infinitief (INF)

55.

Je lichaam wil zo snel mogelijk afkoelen.

a)

hoofdwerkwoord = INF

b)

hoofdwerkwoord = PV

c)

hoofdwerkwoord = VD

d)

hoofdwerkwoord = IMP

56.

De gewonde werd snel afgevoerd.

a)

hoofdwerkwoord = PV

b)

hoofdwerkwoord = INF

c)

hoofdwerkwoord = IMP

d)

hoofdwerkwoord = VD

57.

Wij zijn laat opgestaan.

a)

hoofdwerkwoord = INF

b)

hoofdwerkwoord = VD

c)

hoofdwerkwoord = PV

d)

hoofdwerkwoord = IMP

58.

Vul het werkwoord tussen de haakjes in de onvoltooid verleden tijd in.

Tijdens de goocheltruc (verdwijnen) 2 konijnen.

(a)  

59.

Vul het werkwoord tussen de haakjes in de onvoltooid verleden tijd in.

De lerares (verplichten) de leerling naar voren te komen.

(a)  

60.

Vul het werkwoord tussen de haakjes in de onvoltooid verleden tijd in.
De buurman (bemesten) vroeger de tuin met kunstmestkorrels.

a)

bemoste

b)

bemesde

c)

bemeste

d)

bemestte