Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Symbolen wiskunde (trimester 1)

Total questions: 40

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


≈

a)

Is gelijk aan

b)

is ongeveer gelijk aan

c)

is niet gelijk aan

d)

is soms gelijk aan

2.

Hoe lezen we de volgende symbolen:

 ≤\le  

a)

Kleiner dan

b)

groter dan of gelijk aan

c)

groter dan

d)

kleiner dan of gelijk aan

3.

Hoe lezen we de volgende symbolen:

 ≥\ge  

a)

Kleiner dan

b)

groter dan of gelijk aan

c)

groter dan

d)

kleiner dan of gelijk aan

4.

Hoe lezen we de volgende symbolen:

 ∈\in 

a)

behoort tot

b)

behoort niet tot

c)

deelverzameling van

d)

geen deelverzameling van

5.

Hoe lezen we de volgende symbolen:

 ∉\notin 

a)

behoort tot

b)

behoort niet tot

c)

deelverzameling van

d)

geen deelverzameling van

6.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


V = { }

a)

V is een oneindige verzameling

b)

V is een opsomming

c)

V is een lege verzameling

d)

V is een eindige verzameling

7.

Hoe lezen we de volgende symbolen:

 ⊂\subset 

a)

behoort tot

b)

behoort niet tot

c)

deelverzameling van

d)

geen deelverzameling van

8.

Hoe lezen we de volgende symbolen:

 ⊄\not\subset 

a)

behoort tot

b)

behoort niet tot

c)

deelverzameling van

d)

geen deelverzameling van

9.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


ℕ

a)

Verzameling van de gehele getallen

b)

Verzameling van de rationale getallen

c)

Verzameling van de even getallen

d)

Verzameling van de natuurlijke getallen

10.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


ℤ

a)

Verzameling van de gehele getallen

b)

Verzameling van de rationale getallen

c)

Verzameling van de decimale getallen

d)

Verzameling van de breuken

11.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


ℚ

a)

Verzameling van de gehele getallen

b)

Verzameling van de rationale getallen

c)

Verzameling van de decimale getallen

d)

Verzameling van de breuken

12.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


ℕ0

a)

Verzameling van de natuurlijke getallen

b)

Verzameling van de natuurlijke getallen zonder 0

c)

Verzameling van de natuurlijke getallen met 0

d)

Opsomming natuurlijke getallen tot 0

13.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


ℤ0

a)

Verzameling van de gehele getallen zonder 0

b)

Gehele delers van 0

c)

Verzameling van de gehele getallen met 0

d)

Gehele veelvouden van 0

14.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


ℚ0

a)

Rationele delers van 0

b)

Rationele veelvouden van 0

c)

Verzameling van de rationale getallen zonder 0

d)

Verzameling van kommagetallen zonder 0

15.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


2ℕ

a)

Natuurlijke delers van 2

b)

Verzameling van de oneven natuurlijke getallen

c)

Eindige verzameling vanaf natuurlijk getal 2

d)

Verzameling van even getallen

16.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


2ℕ + 1

a)

Verzameling van de gehele getallen + 1

b)

Verzameling van de oneven natuurlijke getallen

c)

Oneindige verzameling vanaf natuurlijk getal 2 + 1

d)

Verzameling van even getallen

17.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


7ℕ

a)

Verzameling van de veelvouden van 7

b)

Verzameling van de delers van 7

c)

Verzameling van natuurlijke getallen zonder 7

d)

Verzameling van natuurlijke getallen met 7

18.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


del12

a)

Verzameling van de veelvouden van 12

b)

Verzameling van de delers van 12

c)

Deelverzameling van 12

d)

Deelverzameling van veelvouden van 12

19.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


A ∩ B

a)

Alle elementen die behoren tot A en tot B

(= doorsnede)

b)

Alle elementen die behoren tot A of tot B

(= unie)

c)

Alle elementen die behoren tot A maar niet tot B

(= verschil)

d)

Alle elementen die behoren tot B maar niet tot A

(= verschil)

20.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


A ∪ B

a)

Alle elementen die behoren tot A en tot B

(= doorsnede)

b)

Alle elementen die behoren tot A of tot B

(= unie)

c)

Alle elementen die behoren tot A maar niet tot B

(= verschil)

d)

Alle elementen die behoren tot B maar niet tot A

(= verschil)

21.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


A

a)

Rechte A

b)

Punt A

c)

Halfrechte A met grenspunt A

d)

Lijnstuk A

e)

Drager A

22.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


a

a)

Rechte a

b)

Punt A

c)

Halfrechte a met grenspunt A

d)

Lijnstuk a

e)

Drager a

23.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


AB

a)

Rechte AB

b)

Punt A en B

c)

Halfrechte AB met grenspunt A

d)

Lijnstuk AB

e)

Drager AB

24.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


[AB

a)

Rechte AB

b)

Punt A en B

c)

Halfrechte AB met grenspunt A

d)

Lijnstuk AB

e)

Drager AB

25.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


[AB]

a)

Rechte AB

b)

Punt A en B

c)

Halfrechte AB met grenspunt A

d)

Lijnstuk AB

e)

Drager AB

26.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


a ∦ b

a)

rechte a kruist rechte b

b)

rechte a staat loodrecht op rechte b

c)

rechte a valt samen met rechte b

d)

rechte a snijdt rechte b

e)

rechte a is evenwijdig met rechte b

27.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


a ∥ b

a)

rechte a kruist rechte b

b)

rechte a staat loodrecht op rechte b

c)

rechte a valt samen met rechte b

d)

rechte a snijdt rechte b

e)

rechte a is evenwijdig met rechte b

28.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


a = b

a)

rechte a kruist rechte b

b)

rechte a staat loodrecht op rechte b

c)

rechte a valt samen met rechte b

d)

rechte a snijdt rechte b

e)

rechte a is evenwijdig met rechte b

29.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


a ⊥ b

a)

rechte a kruist rechte b

b)

rechte a staat loodrecht op rechte b

c)

rechte a valt samen met rechte b

d)

rechte a snijdt rechte b

e)

rechte a is evenwijdig met rechte b

30.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


a kruist b

a)

rechte a kruist rechte b

b)

rechte a staat loodrecht op rechte b

c)

rechte a valt samen met rechte b

d)

rechte a snijdt rechte b

e)

rechte a is evenwijdig met rechte b

31.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


a ∩ b = { S }

a)

Middelpunt S

b)

Snijpunt S

c)

Midden S

d)

Afstand S

e)

Middelloodlijn S

32.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


A ∈ a

a)

Punt A doorsnede rechte a

b)

Punt A ligt naast rechte a

c)

Punt A ligt op rechte a

d)

Punt A is loodrecht op rechte a

e)

Punt A snijdt rechte a

33.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


Â

a)

Hoek A

b)

Punt A

c)

Drager A

d)

Bissectrice A

e)

Middelloodlijn A

34.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


BÂC

a)

Hoek BAC

b)

Scherpe hoek A

c)

Stompe hoek A

d)

Bissectrice BAC

e)

Middelloodlijn BAC

35.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


∣AB∣

a)

Afstand van punt A tot punt B

b)

Lengte van lijnstuk AB

c)

Lijnstuk AB

d)

Middelloodlijn AB

e)

Halfrechte AB

36.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


d(A,B)

a)

Afstand van punt A tot punt B

b)

Lengte van lijnstuk AB

c)

Lijnstuk AB

d)

Middelloodlijn AB

e)

Halfrechte AB

37.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


d(P,a)

a)

Afstand van punt P tot punt A

b)

Lengte van lijnstuk Pa

c)

Lengte van lijnstuk PA

d)

Afstand van punt P tot rechte a

e)

Afstand van rechte p tot punt A

38.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


M ∈ [KL] en ∣KM∣ = ∣ML∣

a)

M is het snijpunt van lijnstuk KL

b)

M is middelloodlijn van lijnstuk KL

c)

M is evenwijdig met rechte KL

d)

M staat loodrecht op rechte KL

e)

M is het midden van lijnstuk KL

39.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


B ∖ A

a)

Alle elementen die behoren tot A en tot B

(= doorsnede)

b)

Alle elementen die behoren tot A of tot B

(= unie)

c)

Alle elementen die behoren tot A maar niet tot B

(= verschil)

d)

Alle elementen die behoren tot B maar niet tot A

(= verschil)

40.

Hoe lezen we de volgende symbolen:


[AB] ⊂ a

a)

Rechte a

b)

Punt A en B

c)

Halfrechte AB met grenspunt a

d)

Lijnstuk AB

e)

Drager a