NEW
Font size
Worksheets1V tussenmeting woordsoorten
Total questions: 24
Worksheet time: 12mins
Voor welke woordsoort kun je een lidwoord of een bijvoeglijk naamwoord plaatsen?
aanwijzend voornaamwoord (aanw. vnw)
zelfstandig naamwoord (zn)
bijvoeglijk naamwoord (bnw)
zelfstandig werkwoord (zww)
Welke soort werkwoord geeft betekenis aan de zin?
vragend voornaamwoord (vvnw)
persoonlijk voornaamwoord (pers. vnw)
bijvoeglijk naamwoord (bnw)
zelfstandig werkwoord (zww)
Waar zijn "die, dit, dat en deze" voorbeelden van?
bezittelijk voornaamwoord (bez. vnw)
aanwijzend voornaamwoord (aanw. vnw)
lidwoord (lw)
vragend voornaamwoord (vvnw)
Waar zijn de woorden 'wie', 'welke' en 'wat' voorbeelden van?
vragend voornaamwoord (vvnw)
hulpwerkwoord (hww)
persoonlijk voornaamwoord (pers. vnw)
lidwoord (lw)
Welk woord zegt iets over een werkwoord of een bijvoeglijk naamwoord?
persoonlijk voornaamwoord (pers. vnw)
bezittelijk voornaamwoord (bez. vnw)
bijwoord (bw)
bijvoeglijk naamwoord (bnw)
Benoem vanaf nu de woordsoort van het onderstreepte woord.
Hoe komt de Zebra aan zijn strepen?
aanwijzend voornaamwoord (aanw. vnw)
zelfstandig werkwoord (zww)
lidwoord (lw)
zelfstandig naamwoord (zn)
Lang geleden, toen de wereld nog helemaal nieuw was, waren de dieren ook nog nieuw.
zelfstandig naamwoord (zn)
lidwoord (lw)
vragend voornaamwoord (vvnw)
bijvoeglijk naamwoord (bnw)
Ze hadden geen hoorns en geen mooie vachten.
hulpwerkwoord (hww)
persoonlijk voornaamwoord (pers. vnw)
bezittelijk voornaamwoord (bez. vnw)
onbepaald voornaamwoord (onbep. vnw)
Ze hadden niets om zich in te verstoppen en niets om mee op te scheppen.
voorzetsel (vz)
bijwoord (bw)
bijvoeglijk naamwoord (bnw)
persoonlijk voornaamwoord (pers. vnw)
Van alle dieren was Zebra de enige die het heel best vond.
zelfstandig naamwoord (zn)
hulpwerkwoord (hww)
bijwoord (bw)
bezittelijk voornaamwoord (bez. vnw)
"Waarom zouden we hoorns en een vacht moeten hebben?" zei ze. "Wat doet het ertoe hoe we eruitzien? We hebben toch genoeg lekker vers gras te eten?"
koppelwerkwoord (kww)
bijwoord (bw)
persoonlijk voornaamwoord (pers. vnw)
bijvoeglijk naamwoord (bnw)
Maar ondanks al dat gras bleven de andere dieren naar een vacht en hoorns verlangen. En ze bleven geloven dat ze die nog wel een keer zouden krijgen.
hulpwerkwoord (hww)
zelfstandig werkwoord (zww)
zelfstandig naamwoord (zn)
bezittelijk voornaamwoord (bez. vnw)
Op zekere dag was het zover. De zon kwam op boven de heuvels. De nevel trok weg over het meer. Net als op elke andere morgen kwamen de dieren water drinken.
bezittelijk voornaamwoord (bez. vnw)
bijvoeglijk naamwoord (bnw)
voorzetsel (vz)
hulpwerkwoord (hww)
Ze keken omhoog en plotseling wisten ze het. Vandaag zou het gebeuren. Bij de grot aan de overkant van de vlakte. Als de zon halverwege zijn hoogste punt stond. En het zou het zijn: wie het eerst komt, wie het eerst maalt.
zelfstandig werkwoord (zww)
bijvoeglijk naamwoord (bnw)
vragend voornaamwoord (vvnw)
aanwijzend voornaamwoord (aanw. vnw)
Opgewonden gingen ze in die rij staan. Ze hielden de zon goed in de gaten en wachtten tot het tijd was om op weg te gaan. Zebra was de enige die er niet bij stond. Ze had het veel te druk met eten.
persoonlijk voornaamwoord (pers. vnw)
aanwijzend voornaamwoord (aanw. vnw)
bezittelijk voornaamwoord (bez. vnw)
hulpwerkwoord (hww)
"Hé, Zebra! Ga jij niet mee?" riep Sabel, de antilope. "Nog één hapje," zei Zebra. "Maar we gaan zó weg," riep Koedoe, een neef van Sabel. "Trouwens, kijk eens naar de zon. We gaan nu meteen."
bijwoord (bw)
zelfstandig naamwoord (zn)
hulpwerkwoord (hww)
zelfstandig werkwoord (zww)
"Nog één hapje," zei Zebra. De andere dieren renden weg over de vlakte. "En nog een hapje... nog ééntje... het gras is ook zo lekker vers en zacht..." zei ze toen Olifant al bij de grot was; Sabel kwam na Olifant en Koedoe kwam achter Sabel.
bijwoord (bw)
bijvoeglijk naamwoord (bnw)
persoonlijk voornaamwoord (pers. vnw)
bezittelijk voornaamwoord (bez. vnw)
"En nog een," toen Koedoe een grijze vacht aantrok met een paar elegante strepen en dolgelukkig was met zijn kurkentrekkergewei. "En nog een, en nog een, en nog een," toen de andere dieren wildenthousiast hun keus maakten en de vlakte op stoven om zich uit te leven en op te scheppen... "O nee toch!" zei Olifant. "Ben je nu nog steeds aan het eten? Wil jij geen vacht en hoorns?"
zelfstandig naamwoord (zn)
zelfstandig werkwoord (zww)
hulpwerkwoord (hww)
aanwijzend voornaamwoord (aanw. vnw)
"Wat?" zei Zebra en ze stopte even met eten. Nu was het háár beurt om grote ogen op te zetten. Wat zagen de dieren die terugkwamen er fantastisch uit in hun mooie nieuwe kleren! "Eh, nee, ik ben uitgegeten. Ik was net van plan om te gaan," zei ze vlug. Ze zag zichzelf ook al zo mooi aangekleed. Net zo'n neus als Olifant, net zo'n vacht als Sabel en hoorns zoals Koedoe.
zelfstandig werkwoord (zww)
vragend voornaamwoord (vvnw)
voorzetsel (vz)
persoonlijk voornaamwoord (pers. vnw)
Zo snel ze kon draafde Zebra naar de grot aan de overkant van de vlakte. Maar daar wachtte haar een enorme teleurstelling! Er was nog maar één ongelijk paar hoorns, en dat werd net vol trots door de bijziende Rino, de neushoorn, opgezet.
persoonlijk voornaamwoord (pers. vnw)
bezittelijk voornaamwoord (bez. vnw)
koppelwerkwoord (kww)
onbepaald voornaamwoord (onbep. vnw)
Toen was bijna alles op. En vachten waren er ook niet meer, zo te zien. En toen zag Zebra de laatste vacht, de lelijkste vacht, een drukke, opzichtige vacht. Hij had vreselijk opvallende zwarte en witte strepen.
vragend voornaamwoord (vvnw)
voorzetsel (vz)
bijwoord (bw)
bijvoeglijk naamwoord (bnw)
"Wat zullen ze me uitlachen als ik daarin terugkom," zei Zebra. "En nog zonder hoorns ook." De tranen sprongen in haar ogen. Maar plotseling viel haar iets op aan de vacht.
voorzetsel (vz)
bijwoord (bw)
bijvoeglijk naamwoord (bnw)
persoonlijk voornaamwoord (pers. vnw)
Eigenlijk was druk en opzichtig zo erg nog niet. Eigenlijk was druk en opzichtig wel leuk. Haastig pakte ze de vacht op, schudde hem uit en paste hem aan. En ze wist meteen dat ze hem nooit meer zou uittrekken.
bijvoeglijk naamwoord (bnw)
persoonlijk voornaamwoord (pers. vnw)
bezittelijk voornaamwoord (bez. vnw)
koppelwerkwoord (kww)
Zebra was blij: ze had wat voor haar de beste keuze was.
hulpwerkwoord (hww)
zelfstandig werkwoord (zww)
lidwoord (lw)
zelfstandig naamwoord (zn)
