wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Challenge 1BB Woordsoorten

Total questions: 25

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

De antiquarische boekenverzameling in de stoffige zolderkamer oogde imposant.

a)

Werkwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoeglijk naamwoord

d)

Bijwoord

e)

Voorzetsel

2.

Het sierlijke smeedwerk aan de poort van het kasteel was een staaltje van vakmanschap.

a)

Bijwoord

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoeglijk naamwoord

d)

Voorzetsel

e)

Werkwoord

3.

De glimmende sleutelbos lag verloren op het trottoir.

a)

Voorzetsel

b)

Bijvoeglijk naamwoord

c)

Werkwoord

d)

Zelfstandig naamwoord

e)

Bijwoord

4.

Marieke is vorige week haar sleutelbos verloren.

a)

Voorzetsel

b)

Bijvoeglijk naamwoord

c)

Werkwoord

d)

Zelfstandig naamwoord

e)

Bijwoord

5.

De leerlingen van het Mgr. Frencken College in Oosterhout maken bij het vak Nederlands een quiz.

a)

Bijwoord

b)

Voorzetsel

c)

Werkwoord

d)

Zelfstandig naamwoord

e)

Bijvoeglijk naamwoord

6.

Wordt jouw vader trainer bij het Nederlands elftal?

a)

Werkwoord

b)

Lidwoord

c)

Voorzetsel

d)

Bijwoord

e)

Bijvoeglijk naamwoord

7.

Nadat ze hun huiswerk hadden gemaakt, ruimden ze hun kamer op en bereidden ze zich voor op het avondeten.

a)

Werkwoord

b)

Voorzetsel

c)

Bijwoord

d)

Zelfstandig naamwoord

e)

Bijvoeglijk naamwoord

8.

Nadat de storm was gaan liggen, begonnen de mensen met het opruimen van de schade.

a)

Bijvoeglijk naamwoord

b)

Voorzetsel

c)

Werkwoord

d)

Bijwoord

e)

Zelfstandig naamwoord

9.

Hoeveel werkwoorden staan er in deze zin?

Terwijl de kinderen in het zwembad speelden, zaten de ouders aan de rand om een oogje in het zeil te houden.

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

10.

Hoeveel bijvoeglijke naamwoorden staan er in deze zin?

De ervaren astronoom bestudeert verre, mysterieuze sterrenstelsels.

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

11.

De Perzische tapijten gaven de kamer een exotisch tintje.

a)

Voorzetsel

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoeglijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Bijwoord

12.

De gracieuze ballerina voerde een adembenemende dans uit op het podium.

a)

Voorzetsel

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoeglijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Bijwoord

13.

De architect ontwerpt duurzame en innovatieve gebouwen.

a)

Voorzetsel

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoeglijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Bijwoord

14.

De advocaat verdedigt zijn cliënt voor de rechtbank.

a)

Voorzetsel

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoeglijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Bijwoord

15.

De groep scouts verzamelde zich rond het kampvuur.

a)

Voorzetsel

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoeglijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Bijwoord

16.

De leerlingen besloten op de bankjes te gaan zitten.

a)

Voorzetsel

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoeglijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Bijwoord

17.

Gedurende de hele nacht heeft hij aan zijn project gewerkt.

a)

Voorzetsel

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoeglijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Bijwoord

18.

Tijdens het schoolfeest trad DJ Tiësto op.

a)

Voorzetsel

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoeglijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Bijwoord

19.

Hij keek verdrietig naar de oude foto's.

a)

Voorzetsel

b)

Lidwoord

c)

Bijvoeglijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Bijwoord

20.

De kat sliep rustig op de vensterbank.

a)

Voorzetsel

b)

Lidwoord

c)

Bijvoeglijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Bijwoord

21.

De docent komt nooit te laat.

a)

Voorzetsel

b)

Lidwoord

c)

Bijvoeglijk naamwoord

d)

Werkwoord

e)

Bijwoord

22.

Hij eet altijd boterhammen met pindakaas als ontbijt.

a)

Voorzetsel

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoeglijk naamwoord

d)

Lidwoord

e)

Bijwoord

23.

Vandaag ben ik erg vrolijk.

a)

Voorzetsel

b)

Zelfstandig naamwoord

c)

Bijvoeglijk naamwoord

d)

Lidwoord

e)

Bijwoord

24.

Hoeveel lidwoorden staan er in deze zin?


De kat van mijn buurman jaagt in de achtertuin op een muis.

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

0

25.

Welke lidwoorden zijn bepaalde lidwoorden?

a)

de - het

b)

de - een

c)

het - een