Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1v ontleden t/m wg

Total questions: 25

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn zinsdelen?

a)

een woord een woordgroepje dat bij elkaar hoort

b)

de persoonsvorm

c)

delen van de zin die overblijven

d)

delen van de zin die je niet kunt benoemen

2.

Alles wat voor de pv staat:

a)

zijn twee zinsdelen

b)

is één zinsdeel

c)

kan meerdere zinsdelen bevatten

d)

is altijd drie zinsdelen

3.

Waar of niet waar? 'De pv is altijd een werkwoord'

a)

waar

b)

niet waar

c)

geen van beide

d)

allebei zijn goed

4.

De pv past goed bij welk ander zinsdeel?

a)

het ow

b)

het wg

c)

het lv

d)

het mv

5.

Wat geeft de pv aan?

a)

tijd en getal van de zin (t.t/v.t en ev/mv)

b)

tijd en vraag van de zin (t.t./v.t en of er een vraag gemaakt van kan worden)

c)

getal en zinsdelen (ev/mv en welke zinsdelen er zijn)

6.

Wat is de pv in: 'Gisteren ben ik nat geworden.'

a)

ben

b)

geworden

c)

nat

d)

ik

7.

Wat is het ow in: 'Gisteren ben ik nat geworden.'

a)

ben

b)

ik

c)

gisteren

d)

geworden

8.

Wat is het wg in: 'Gisteren ben ik nat geworden.'

a)

gisteren geworden

b)

nat geworden

c)

ben geworden

d)

ben nat geworden

9.

Als het ow in een zin verandert, wat verandert dan mee?

a)

de pv

b)

het lv

c)

het mv

d)

het vd

10.

De pv laat zien wat ... doet

a)

het ow

b)

het lv

c)

het mv

d)

het gezegde

11.

Wat houdt het wg in?

a)

alle werkwoorden in de zin + de pv

b)

alle werkwoorden in de zin zonder de pv

12.

Horen onvoltooid deelwoorden ook bij het wg?

a)

ja

b)

nee

c)

soms wel, soms niet

13.

Als 'te' of 'aan het' vóór een werkwoord staan,...

a)

horen die woordjes ook bij het wg

b)

horen die woordjes niet bij het wg

c)

horen die woordjes bij de bijwoordelijke bepaling

d)

horen die woordjes bij geen enkel zinsdeel

14.

Wat is het wg? 'Ik was aan het douchen.'

a)

was douchen

b)

douchen

c)

was aan het douchen

d)

geen van alle

15.

Wat is het wg? 'Wat is er nog te doen?'

a)

is te doen

b)

is doen

c)

doen

d)

geen van alle

16.

Wat is het wg? 'We waren met zijn allen aan het basketballen.'

a)

waren basketballen

b)

waren aan het basketballen

c)

basketballen

d)

geen van alle

17.

Welke vraag stellen we om het lv te vinden?

a)

wat/wie + wg + ow?

b)

wat/wie + wg + ow + mv?

c)

wat/wie + wg?

d)

wat/wie + wg + ow + rest?

18.

Het lijdend voorwerp is..

a)

de persoon die iets overkomt of het voorwerp dat iets ondergaat

b)

de persoon die iets geeft of het voorwerp dat iets geeft

c)

beide opties

d)

geen van alle opties

19.

Het lv begint nooit met...

a)

een voorzetsel

b)

een werkwoord

c)

een zelfstandig naamwoord

d)

een onderwerp

20.

Zoek het lv: 'Ik koop vandaag nieuwe schoenen van mijn geld.'

a)

schoenen

b)

nieuwe schoenen

c)

vandaag

d)

er zit geen lv in deze zin

21.

Zoek het lv: 'Ik weet niet wat ik moet doen.'

a)

er zit geen lv in deze zin

b)

niet

c)

niet wat ik moet doen

d)

wat ik moet doen

22.

Waar of niet waar: 'Een mv begint altijd met aan of voor.'

a)

niet waar

b)

waar

23.

Welke vraag stel je om het mv te vinden?

a)

aan/voor wie + wg + ow + lv?

b)

aan/voor wie + wg + ow?

c)

aan/voor wie + wg + ow + rest?

d)

geen van alle

24.

Zoek het mv: 'Ik geef jou mijn etui wel even.'

a)

mijn etui

b)

etui

c)

jou

d)

geef

25.

Zoek het mv: 'Donoren willen patiënten een nier geven.'

a)

een nier

b)

patiënten

c)

donoren

d)

willen geven