Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefening toets H3

Total questions: 24

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.
Bij welk verband hoort het signaalwoord: zoals
a)
opsomming
b)
tegenstelling
c)
voorbeeld
d)
mening-argument
2.
Bij welk verband hoort het signaalwoord: ten eerste
a)
opsomming
b)
tegenstelling
c)
voorbeeld
d)
mening-argument
3.
Bij welk verband hoort het signaalwoord: ook
a)
opsomming
b)
tegenstelling
c)
voorbeeld
d)
mening-argument
4.
Bij welk verband hoort het signaalwoord: echter
a)
opsomming
b)
tegenstelling
c)
voorbeeld
d)
mening-argument
5.
Bij welk verband hoort het signaalwoord: omdat
a)
opsomming
b)
tegenstelling
c)
voorbeeld
d)
mening-argument
6.
Waarom staat er een * achter bepaalde woorden?
a)
Daar moet je schuin schrijven
b)
Die zijn verplicht
c)
Daar moet je iets doorstrepen
d)
Daar moet je iets omcirkelen
7.
Waarom staat er ** achter bepaalde woorden?
a)
Daar moet je schuin schrijven
b)
Die zijn verplicht
c)
Daar moet je iets doorstrepen
d)
Daar moet je iets omcirkelen
8.
Wat betekent: De leerlingen zoeken bedrijven uit verschillende branches.
a)
vakgebieden
b)
opleidingen
c)
locaties
d)
landen
9.
Wat betekent: Deze situatie is niet permanent.
a)
krullerig
b)
vervelend
c)
voor iedereen
d)
voor altijd
10.
Welk woord hoort er niet bij?
a)
passief
b)
actief
c)
openbaar
11.
Welk woord hoort er niet bij?
a)
oorzaak
b)
makkelijk
c)
gevolg
12.
Welk woord hoort er niet bij?
a)
doorgaan
b)
soms
c)
schadelijk
13.
Welke persoonsvormen staan er in de volgende zin:
Wouter viste in het park en hij ving wel vijf vissen.
a)
Wouter - hij
b)
viste - ving
c)
in - en
d)
park - vissen
14.
Welke persoonsvormen staan er in de volgende zin:
Sanne had haar kamer geverfd, maar ze vond hem niet mooi geworden.
a)
geverfd - geworden
b)
Sanne - ze
c)
kamer - hem
d)
had - vond
15.
Welke onderwerpen staan er in de volgende zin:
Wouter viste in het park en hij ving wel vijf vissen.
a)
Wouter - hij
b)
viste - ving
c)
in - en
d)
park - vissen
16.
Welke onderwerpen staan er in de volgende zin:
Sanne had haar kamer geverfd, maar ze vond hem niet mooi geworden.
a)
geverfd - geworden
b)
Sanne - ze
c)
kamer - hem
d)
had - vond
17.
Wat is de goede vorm van het werkwoord:
De verkoper (zeggen) dat de trui past.
a)
zeg
b)
zegt
c)
zei
d)
zegdt
18.
Wat is de goede vorm van het werkwoord:
Mijn broertje is over de steen (struikelen).
a)
gestruikeld
b)
gestruikelt
c)
struikelend
d)
gestruikeldt
19.
Wat is de goede vorm van het werkwoord:
De docent (hoesten) vorige week heel vaak.
a)
hoest
b)
hoesten
c)
hoestte
d)
hoestten
20.
Vandaag (worden) ons huis te koop gezet.
a)
word
b)
wordt
c)
wort
d)
worden
21.
Welk voorzetsel hoort hierbij?
... de duim houden
a)
in
b)
op
c)
bij
d)
onder
22.
Welk voorzetsel hoort hierbij?
in vergelijking ...
a)
met
b)
tegen
c)
bij
d)
van
23.
Welk voorzetsel hoort hierbij?
... ieder geval
a)
onder
b)
in
c)
bij
d)
voor
24.
Aan een ... zie je met welk verband je in een tekst te maken hebt.
a)
zin
b)
signaalwoord
c)
alinea
d)
werkwoord