wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

MC vragen Religie in sociologisch perspectief

Total questions: 57

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.

1.     Een functionele definitie van religie richt zich op ______.

a)

wat mensen geloven

b)

wat religie doet in de samenleving en in het leven van mensen?

c)

een concept van bovennatuurlijke kracht of bovennatuurlijke wezen(s)

d)

het onderscheid tussen de heilige en profane sferen

2.

Wat neemt Geertz als uitgangspunt voor zijn definitie van religie?

a)

     goddelijke wezens

b)

  praktijken

c)

   symbolen

d)

spiritualiteit

3.

Het benadrukken van heilige tijden en plaatsen als intrinsiek aan alle religies is gebaseerd op welke benadering om religie te definiëren?

a)

functioneel

b)

   onzichtbaar

 

c)

    inhoudelijk

 

d)

   symbolisch

 

4.

Welke van de volgende is een zwak punt van functionele definities van religie?

a)

Het scala aan gedragingen en ideeën dat als 'religieus' kan worden beschouwd, is mogelijk te breed.

b)

Functionele definities hebben de neiging zich bijna volledig te richten op traditionele uitingen van religie.

c)

Functionele definities missen vaak nieuwe vormen of vormen van religiositeit in een samenleving.

d)

De nadruk op het geloof in bovennatuurlijke privileges geeft westerse opvattingen over religie.

5.

Waarom werd het boeddhisme vaak uitgesloten van inhoudelijke definities van religie?

a)

Het boeddhisme wordt gezien als meer spiritueel dan religieus.

b)

De meeste boeddhisten beoefenen een geleefde religie.

c)

De meeste boeddhisten geloven niet in goddelijke wezens.

d)

Het boeddhisme is gebaseerd op heilige rituelen.

6.

Wat is volgens Emile Durkheim essentieel voor religie?

a)

geloof in een super mens

b)

  de aanwezigheid van religieuze symbolen

c)

een scheiding tussen het heilige en het profane

d)

nadruk op het beantwoorden van betekenisvragen.

7.

 

Wat is volgens Yinger het probleem met het hanteren van inhoudelijke definities van religie?

a)

Ze benadrukken geloof in plaats van actie.

b)

Ze definiëren het heilige onvoldoende.

c)

Ze kunnen leiden tot een te brede definitie.

d)

Ze kunnen leiden tot een verkeerde identificatie van religie in veranderende samenlevingen.

8.

In welk perspectief zouden fenomenen als communisme, nationalisme en misschien zelfs sport aan de criteria van religie kunnen voldoen?

a)

  functioneel

b)

inhoudelijk

c)

   symbolisch

d)

geïndividualiseerd

9.

Een onderscheidend kenmerk van religie is het vermogen om een ​​(n) ______ te verschaffen, wat helpt om onrecht, dood en lijden te begrijpen.

a)

ethos

b)

  ritueel

c)

  wereldbeeld

d)

symbool

10.

Hoe beïnvloeden symbolen volgens Geertz individuen?

a)

  Ze leren mensen belangrijke religieuze rituelen.

b)

    Ze vormen de stemmingen en motivaties van mensen.

c)

   Ze moeten worden gebruikt om het idee van god vast te leggen.

d)

   Ze onderscheiden het heilige van het profane.

 

11.

  Volgens Geertz verwijst ______ naar gevoelsdiepte, terwijl ______ richting geeft aan ons gedrag.

a)

   humeur; symbolen

b)

motivatie; symbolen

c)

    motivatie; humeur

d)

   humeur; motivatie

12.

     Welke van de volgende zou een bewijs zijn van individualisering van religie?

a)

   Een christelijke kerk bevat een boeddhistische meditatie.

b)

     Een vrouw beschrijft haar religie als "deels christelijk, deels hindoe, deels je naaste liefhebben."

c)

   Een man gaat de ene week naar een moskee en de andere week naar een kerk.

d)

   Een persoon zegt dat ze spiritueel zijn, maar niet religieus.

13.

Wat bedoelt Luckmann met "onzichtbare religie"?

a)

    Manieren om religieus te zijn die meer privé en geïndividualiseerd zijn

b)

   betekenissystemen die vaak niet als religieus worden beschouwd, zoals wetenschap

c)

  de impact van media op traditionele religieuze praktijken

d)

Alledaagse praktijken die het heilige en het profane doen vervagen

 

14.

  Volgens de tekst is het karakteriseren van religie als primair over ______ een westerse vooringenomenheid.

a)

     spiritualiteit

b)

heiligheid

c)

    overtuigingen

d)

    rituelen

15.

 

Welke van de volgende veronderstellingen maken functionele definities van religie?

a)

   De meeste mensen vertrouwen op religie om vragen over het bestaan ​​te beantwoorden.

b)

Alle mensen zijn tot op zekere hoogte religieus.

c)

De kern van religie is het geloof in een bovennatuurlijke kracht.

16.

   Individuen die erop vertrouwen dat de wetenschap op een dag alle menselijke problemen zal oplossen, zouden volgens welke definitie van religie als religieus worden beschouwd?

a)

  symbolisch

b)

   ritueel

c)

   inhoudelijk

d)

  functioneel

17.

  Volgens Luckman hebben traditionele religies in de loop van de tijd ______.

a)

zijn vervangen spiritualiteit

b)

  zijn minder gefocust op het goddelijke geworden

c)

invloed hebben op een kleiner scala aan menselijk gedrag

d)

een groeiend scala aan menselijk gedrag beïnvloeden

18.

    Waar zullen we volgens geleerden van geleefde religie religie vinden in de hedendaagse wereld?

a)

religieuze instellingen

b)

   alledaagse leven

c)

talkshows

d)

    spirituele leiders

19.

  Geleefde religie pleit voor een vervaging van ______ en ______.

a)

  de Heilige; de profane

b)

geloof; niet-religie

c)

   spiritualiteit; religiositeit

d)

   wetenschap; geloof

20.

Welke van de volgende concepten verwijst naar het proces waarbij mensen hun eigen betekenissystemen ontwikkelen door gebruik te maken van diverse bronnen?

a)

individualisering van religie

b)

sacralisatie van het dagelijks leven

c)

spiritueel maar niet religieus

d)

   privé symboliek

21.

  Onderzoek toont aan dat er in de loop van de tijd de grootste toename is geweest in het aantal mensen dat zich identificeerde als welke van de volgende?

a)

   religieus en spiritueel

b)

  spiritueel maar niet religieus

c)

     noch religieus noch spiritueel

d)

  religieus maar niet spiritueel

22.

Welk onderwerp wordt doorgaans NIET door godsdienstsociologen bestudeerd?

a)

   Hoe religieuze groepen en organisaties georganiseerd zijn.

b)

Het verhelderen van de morele verantwoordelijkheid van religieuze personen.

c)

  Conflicten tussen verschillende religieuze groepen.

d)

De sociale gedragingen van de leden van een bepaalde religieuze groep.

23.

Volgens Keith Roberts en David Yamane, de auteurs van het handboek, zal magie uiteindelijk vervangen worden door wetenschap en technologie. Daarentegen zal religie volgens hen niet door wetenschap en technologie vervangen worden, omdat…

a)

  Religie een andere functie vervult dan magie; namelijk het legitimeren van centrale waarden en het verlenen van zin aan het leven.

b)

   Religie een universeel, cultureel verschijnsel is dat niet vervangen kan worden.

c)

  Religie sterk samenhangt met etnische loyaliteit en dat geldt niet voor wetenschap en technologie.

d)

a.     De bovenstaande bewering klopt niet. Ook Roberts en Yamane gaan ervan uit dat religie zal verdwijnen door toenemend secularisme en de ontwikkeling van de moderne wetenschap.

24.

Volgens Weber is Calvijns predestinatieleer van belang voor de ontwikkeling van het kapitalisme, omdat deze leer de nadruk legt op:

a)

  Ascetisme (men wordt zich zo bewust van het belang van zelf opoffering omwille van de eigen verlossing).

b)

  Het priesterschap van alle gelovigen (men wordt zich zo bewust van de verplichting om anderen van dienst te zijn).

c)

  Hard werken (men realiseert zich zo dat verlossing afhankelijk is van eigen inspanningen).

d)

  Radicaal individualisme (men realiseert zich dat men geheel op zichzelf is aangewezen als het gaat om verlossing).

25.

Welke twee principes zijn kenmerkend voor een wetenschappelijke, sociologische benadering van religie?

a)

Weerstand tegen empiricisme en objectiviteit.

b)

    Gebruikmaken van empirische data en trouw zijn aan bepaalde ideologische beginselen bij het interpreteren van empirische data.

c)

   Het innemen van een persoonlijke, a-religieuze houding en weerstand tegen empiricisme.

d)

   Het streven naar objectiviteit en het gebruikmaken van empirische data.

26.

Wat is volgens de functionele definitie van Milton Yinger GEEN essentieel onderdeel van religie?

a)

  Het geloof in hogere wezens.

b)

  De hechte samenhang tussen religie en ethiek.

c)

De rol die religie speelt in het geven van zin aan het leven, vooral ten overstaan van lijden, dood en onrechtvaardigheid.

d)

Geen van het bovenstaande is essentieel voor religie, volgens Milton Yinger.

27.

Een geloofsgemeenschap als de Vrije Evangelisatie in Zwolle opereert geheel zelfstandig en beslist bijvoorbeeld zelf wie men aanstelt als pastor en aan welke eisen een persoon moet voldoen om als pastor te kunnen worden aangesteld. Hoe wordt een dergelijke organisatiestructuur genoemd?

a)

  Presbyteriaans.

b)

   Episcopaal.

c)

   Congregationeel.

d)

Niet-denominationeel.

28.

Welke van de onderstaande kenmerken heeft vooral betrekking op magie?

a)

  Het aanbidden van een transcendent wezen.

b)

Een voorganger die een groep leidt in het uitvoeren van een ritueel.

c)

a.     Het manipuleren van een onpersoonlijke, transcendente macht ten gunste van persoonlijke doelen van het individu of groep.

d)

    Een uitgewerkt ethisch systeem van morele richtlijnen.

29.

Wat is volgens Durkheim de essentie van religie?

a)

  Het geloof in transcendente wezens.

b)

Het gebruiken van collectieve rituelen en symbolen.

c)

Het onderscheid tussen sacraal en profaan.

d)

  Een gerichtheid op een ‘ultimate concern’.

30.

Wat is volgens het handboek van Roberts en Yamane de belangrijkste oorzaak voor religieuze conflicten en afscheidingen?

a)

  Het monotheïsme.

b)

Het optreden van charismatische leiders.

c)

     Exclusieve theologische waarheidsclaims.

d)

De samenhang tussen religie en etniciteit en/of sociale stratificatie.

31.

Marx en Durkheim zijn het eens dat

a)

Religie een bron van sociale verandering is.

b)

Religie een bedreiging vormt voor sociale stabiliteit.

c)

  Religie de waarden en normen in een samenleving legitimeert.

d)

Religie de noden van alle burgers in gelijke mate vervult.

32.

Waarop heeft Durkheims idee van het metaforisch parallelisme betrekking?

a)

   De parallel tussen religieuze overtuigingen en de gezagsstructuur in de samenleving.

b)

    De parallel tussen de religieuze mythen van de ene religieuze traditie en van de andere religieuze traditie.

c)

   De parallel tussen de metaforische symbolen binnen een religieuze traditie en andere symbolen binnen die traditie.

d)

De parallel tussen religieuze mythen en seculiere legendes en volksverhalen.

33.

Om ervoor te zorgen dat hun leden trouw blijven aan de waarden en normen van de geloofsgemeenschap, nemen religieuze organisaties soms hun toevlucht tot excommunicatie. Echter, religieuze organisaties die hun toevlucht nemen tot dit middel lopen het risico om leden van zich te vervreemden. Daarom is het van belang om leden te overtuigen om zich vrijwillig te onderwerpen aan de leer en het gezag van de religieuze organisatie. Dit is het:

a)

Motivationele dilemma (dilemma of mixed motivation).

b)

    Administratieve dilemma (dilemma of administrative order).

c)

Leerstellig dilemma (dilemma of delimitation)

d)

   Machtsdilemma (dilemma of power).

34.

In zijn analyse van preken die zijn gehouden in Doorbrekers gaat Vermeer onder andere na of de pastores de relevantie van het evangelie voor de gelovigen/toehoorders benadrukken. Vanuit welk theoretisch perspectief stelt hij deze vraag naar relevantie?

a)

Church-sect theory explanation.

b)

    Existential security theory explanation.

c)

Cultural market explanation.

d)

  Secularization theory explanation.

35.

Het blijvende belang van Die Protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus is:

a)

Dat het een verband heeft blootgelegd tussen de ontwikkeling van het kapitalisme en het protestantisme dat in later onderzoek bevestigd is.

b)

Dat het de aanzet heeft gegeven tot diepgaand godsdienstsociologisch onderzoek en debat.

c)

  Dat het heeft laten zien dat economisch eigenbelang de drijvende kracht is achter de meeste religieuze overtuigingen en waarden.

d)

Dat het sociologen heeft geleerd te kijken naar waarden en ideeën als belangrijke onderliggende factoren bij het bestuderen van sociale ontwikkelingen en veranderingen.

36.

Robert Bellah ziet secularisatie als:

a)

  Een verlies van het heilige en sacrale gevolgd door een verlies van sociale cohesie.

b)

    De rationalisering van religie gevolgd door religieuze achteruitgang.

c)

De evolutie van religie waarbij religie steeds complexer en hoger ontwikkeld wordt.

d)

Een toename van het bovennatuurlijke in de samenleving.

37.

Wat is volgens sommige neo-secularisatie theoretici een dimensie van secularisatie?

a)

Dat religieuze leiders binnen een brede verscheidenheid aan maatschappelijke instituties functioneren als hoogste en laatste autoriteit.

b)

Dat verschillende maatschappelijke instituties zich hebben onttrokken aan religieuze dominantie als gevolg van institutionele differentiëring.

c)

  De teruggang van religie in de samenleving.

d)

De antwoorden a, b en c verwijzen allemaal dimensies van secularisatie.

38.

Wat bedoelen Stark en Bainbridge met hun stelling dat secularisatie ‘self-limiting’ is?

a)

a.     Zij denken dat het vertrouwen in de wetenschap onder de bevolking afneemt en dat de wetenschap steeds minder gezien wordt als een betrouwbare bron van kennis over de werkelijkheid.

b)

a.     Zij denken dat wetenschap en techniek onvoldoende in staat zullen zijn om bepaalde individuele behoeften van de mens te bevredigen en dat enkel religie in staat is om aan deze individuele behoeften tegemoet te komen.

c)

a.     Zij denken dat religie zich langzaam aanpast aan een wetenschappelijke, empirische benadering van de werkelijkheid en steeds minder tegenover de hedendaagse seculiere cultuur komt te staan. Hierdoor zal religie niet vervangen worden door een seculiere cultuur, maar zich eerder vermengen met de seculiere cultuur.

d)

  De antwoorden a, b en c zijn allemaal goed.

39.

Hoe kun je vanuit het perspectief van de rational choice theory verklaren dat leden van een sekte doorgaans een lagere sociaal-economische status hebben?

a)

Deelname aan een sekte is gratis en dus goed bereikbaar voor mensen uit de lagere sociaal-economische lagen van de bevolking.

b)

Sekten staan eerder tegenover de maatschappij en oefenen daarom weinig aantrekkingskracht uit op mensen met een hogere maatschappelijke positie.

c)

Mensen met een lagere sociaal-economische status hoeven maatschappelijk minder op te geven om te voldoen aan de hoge ‘eisen’ die sekten stellen.

d)

De antwoorden b en c zijn allebei goed.

40.

Hoe verklaren Norris en Inglehart de door hun verwachte demografische ontwikkeling dat de wereldbevolking als geheel steeds religieuzer wordt ondanks het voortschrijden van het proces van secularisatie in het Westen?

a)

    De kloof tussen arm en rijk neemt steeds meer toe waardoor de bevolking in armere landen steeds religieuzer wordt.

b)

a.     Secularisatie zorgt in hetWestenvoormider nadruk op familiewaarden en grote gezinnen en daardoor voor een bevolkingskrimp, terwijl in armere ontwikkelingslanden de invloed van religie op familiewaarden gelijk blijft en voor bevolkingsgroei zorg

c)

a.     Door de ontwikkeling van de verzorgingsstaat in veel Westerse landen is het hebben van veel kinderen niet meer van belang om te overleven waardoor hier uiteindelijk de bevolking krimpt, terwijl in armere ontwikkelingslanden grote gezinnen nog steeds van belang zijn voor de eigen overlevingskansen.

d)

De antwoorden a, b en c zijn allemaal goed.

41.

Wat is volgens het handboek van Roberts en Yamane de typische volgorde waarin een bekering tot een nieuwe religieuze beweging plaatsvindt?

a)

a.     Eerst raakt men betrokken bij de organisatie, dan accepteert men de geloofsovertuigingen en dan raakt men betrokken bij de andere leden.

b)

a.     Eerst accepteert men de geloofsovertuigingen, dan raakt men betrokken bij de andere leden en dan raakt men betrokken bij de organisatie.

c)

a.     Eerst accepteert men de geloofsovertuigingen, dan raakt men betrokken bij de organisatie en dan raakt men betrokken bij de andere leden.

d)

a.     Eerst raakt men betrokken bij de andere leden, dan raakt men betrokken bij de organisatie en dan accepteert men de geloofsovertuigingen.

42.

Welke van de volgende zaken is NIET de focus van sociologen die religie onderzoeken?

a)

De organisatiepatronen van religieuze groepen en instellingen.

b)

Het sociale gedrag van individuen binnen een religieuze groep.

c)

Verduidelijking van de morele verantwoordelijkheid van religieuze personen.

d)

  Conflicten tussen religieuze groepen.

e)

a)     Het conflict tussen overtuigingen en institutionele normen - zodanig dat overtuigingen en institutionele structuren gedrag op tegenstrijdige manieren beïnvloeden.

43.

De sociologische benadering van overtuigingen benadrukt de kwestie van:

a)

hoe overtuigingen gedrag beïnvloeden.

b)

   of de overtuigingen logisch consistent zijn en een coherent theologisch perspectief presenteren.

c)

of de overtuigingen eeuwig waar zijn of vals en afgodisch

d)

of de overtuigingen leiden tot geldige ethische conclusies en morele beslissingen.

e)

alle bovenstaande.

44.

Objectiviteit in de sociologie betekent:

a)

de socioloog moet elke persoonlijke verplichting als burger opgeven.

b)

de socioloog moet proberen te waken voor vooringenomenheid en moet proberen andere religieuze groeperingen op hun eigen manier te begrijpen eigen voorwaarden.

c)

   de socioloog moet elke religieuze overtuiging of verbintenis met een religieuze groep afwijzen.

d)

  de socioloog moet alle fouten vermijden en alleen de hele waarheid presenteren.

e)

alle bovenstaande.

45.

Welke van de volgende sociale rollen kan ertoe leiden dat een onderzoeker bevooroordeeld is in zijn of haar observaties?

a)

De rol van een blanke, middenklasse, Amerikaanse man die de rol van vrouwen in het christendom bestudeert

b)

   Een atheïstische onderzoeker die de effecten van het christendom op de Amerikaanse samenleving bestudeert

c)

Een actief kerklid dat symbolen van de christelijke kerk bestudeert.

d)

  Een vrouwelijke onderzoeker die mannelijke moslims bestudeert.

e)

a)     Elke sociale rol kan leiden tot vooringenomenheid van de kant van de onderzoeker; het is de verantwoordelijkheid van alle onderzoekers om blijf zo onbevooroordeeld mogelijk bij het uitvoeren van onderzoek.

46.

Het begrijpen van de subjectieve religieuze betekenissen van individuen kan het beste worden bereikt door welke van de onderzoeksstrategie volgen?

a)

Historisch

b)

Enquête

c)

Inhoudsanalyse

d)

  Deelnemers observatie

e)

  Experiment

47.

Een grote zorg met betrekking tot experimenteel onderzoek op het gebied van religiesociologie, en de reden waarom dat zo is weinig experimenteel onderzoek is gedaan op dit gebied is:

a)

Religieuze groepen zijn zeer gesloten systemen geweest en hebben onderzoekers er niet op laten experimenteren.

b)

De ethische vraagstukken die bij het experimenteren op dit gebied komen kijken, zijn enorm.

c)

     Experimenteel onderzoek op het gebied van religie is zo kostbaar dat maar weinig onderzoekers de geld om hun experimenten uit te voeren.

d)

Onderzoekers hebben weinig succes gehad met het vinden van onderwerpen om hen in staat te stellen met hun religie te experimenteren.

48.

Welke van de volgende is GEEN voordeel van participerende observatie dat in de tekst werd genoemd?

a)

Het maakt observatie mogelijk van symbolische interacties tussen leden waarvan de acteurs mogelijk alleen zijn gedeeltelijk bewust.

b)

Ona)     derzoekers zijn beter in staat om discrepanties te vinden tussen wat mensen zeggen en wat ze doen.

c)

Ona)     derzoekers zijn in staat om onderzoek te doen naar non-conformistische groepen die zeer privé zijn en die een vooraan bij het publiek.

d)

Pa)     articiperende observatie stelt de onderzoeker in staat om onder dekking te gaan en in het geheim te observeren en te verkrijgen informatie voor hun onderzoek.

49.

 Participerende observatie is op grote schaal gebruikt in onderzoek naar een reeks religieuze groepen, maar lijdt aan de

volgende beperking(en):

a)

Het is zo'n snelle manier om informatie te verzamelen dat het vaak te veel wordt gebruikt.

b)

observaties kunnen vertekend zijn door de meningen en overtuigingen van de waarnemer.

c)

het levert kwantitatieve gegevens op en dat is een probleem bij het bestuderen van religie.

d)

Het manipuleert sommige variabelen en controleert andere; daarom is het onethisch bij het bestuderen van de religie van mensen.

50.

Een belangrijk punt van zorg of mogelijke beperking van enquêteonderzoek is dat:

a)

De aangegeven intenties of verbale reacties van respondenten komen vaak niet overeen met hun daadwerkelijke gedrag.

b)

het biedt geen kwantitatieve gegevens voor analyse.

c)

alleen van toepassing op de studie van historische gevallen en leent zich niet voor analyse van hedendaagse samenleving.

d)

   de studie kan niet worden gerepliceerd door een andere socioloog.

e)

  al het bovenstaande zijn problemen met enquêteonderzoek:

51.

Een groot voordeel van survey-onderzoek is dat het

a)

is veel beter in het specificeren van causale volgorde dan historische of participerende observatiemethoden.

b)

Geeft meer inzicht in de emotionele context van de sociale omgeving - meer gevoel voor het subjectieve elementen die aanwezig zijn

c)

laat geen vooringenomenheid toe bij de interpretatie van gegevens; de gegevens zijn altijd erg "hard".

d)

   houdt geen interpretatie in; de gegevens spreken altijd voor zich.

e)

  is het meest effectief in het met zekerheid vaststellen van een correlatie tussen twee of meer variabelen.

52.

Een onderzoeksmethode die een kwantitatieve analyse van bestaand materiaal biedt en die vooral nuttig is bij vergelijking van historische houdingen en overtuigingen met hedendaagse is

a)

steekproefonderzoeken.

b)

   deelnemers observatie.

c)

experimenteren.

d)

inhoudsanalyse.

e)

geen van bovenstaande.

53.

Wanneer een onderzoeker een interviewschema gebruikt met een reeks prompts om meer informatie te krijgen, maar dat niet doet

een reeks vooraf vastgestelde antwoorden specificeren waaruit de respondent moet kiezen, wordt de aanpak genoemd

a)

gedwongen keuze schema.

b)

semi-gestructureerd.

c)

gesloten enquête

d)

inhoudsanalyse.

e)

     quasi-experiment.

54.

Triangulatie verwijst naar:

a)

Gebruik van drie theorieën om de gegevens uit een onderzoek te analyseren.

b)

a)     Met behulp van een onderzoekstechniek, zoals interviewen, om verschillende conclusies te trekken over een onderzoek,die later verder worden geanalyseerd.

c)

a)     Gebruik van verschillende methoden om er zeker van te zijn dat gegevens allemaal op dezelfde conclusies wijzen.

d)

Een diagram dat gegevensresultaten van een enquête weergeeft.

55.

Welke van de volgende culturele "teksten" zouden geschikte objecten zijn voor inhoudsanalyse door een socioloog van

geloof?

a)

   Preken

b)

Het wereldwijde web

c)

Tekenfilms

d)

Hymnen

e)

Alle bovenstaande

56.

Overweeg de volgende twee uitspraken met betrekking tot het cursusmateriaal: (A) Waarden kunnen de onderwerpen beïnvloeden

sociologen kiezen ervoor om te studeren en de vragen die ze stellen; en (B) Waarden moeten de gegevensverzameling beïnvloeden,

analyse en conclusies die worden getrokken door sociologen. Welke van de volgende is juist:

a)

Alleen A is een juiste verklaring

b)

Alleen B is een juiste verklaring

c)

Zowel A als B zijn nauwkeurige uitspraken

d)

Noch A noch B zijn nauwkeurige uitspraken

57.

____betekent dat de socioloog probeert te voorkomen dat persoonlijke overtuigingen, waarden of andere vooroordelen de studeren, en ______benadrukt de noodzaak om beweringen te doen over de sociale wereld op basis van systematisch verzamelde gegevens

a)

wetenschap; methodologie

b)

Archemedisme; empirisme

c)

objectiviteit; empirisme

d)

   Empirisme; objectiviteit