wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Zinsdelen pv-ow-wg

Total questions: 15

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de pv (persoonsvorm):

Mijn vader viert zijn verjaardag morgen.

a)

Mijn vader

b)

viert

c)

zijn

d)

morgen

2.

Wat is de pv )pseroonsvorm):

Ik doe altijd mijn best tijdens toetsen.

a)

mijn best

b)

toetsen

c)

doe

d)

Ik

3.

Wat is de pv (persoonsvorm):

Waarom zijn bananen krom?

a)

krom

b)

zijn

c)

bananen

d)

Waarom

4.

Maandag heeft Sonja een wedstrijd in de stad.


Wat is het onderwerp in de zin hierboven?

a)

Maandag

b)

een wedstrijd

c)

Sonja

d)

heeft

5.

Wat is het onderwerp in:

Kleding / kopen / mijn vriendinnen / altijd / in de uitverkoop.

a)

kleding

b)

mijn vriendinnen

c)

in de uitverkoop

d)

kopen

6.

Welke zin is correct in zinsdelen verdeeld?

a)

Het | huis brandt

b)

Het | huis | brandt

c)

Het huis | brandt

7.

Welke zin is correct in zinsdelen verdeeld?

a)

Mijn tante | koopt

b)

Mijn | tante | koopt

c)

Mijn| tante koopt

8.

Welke zin is correct in zinsdelen verdeeld?

a)

Haar | vader | behangt

b)

Haar vader | behangt

c)

Haar | vader | behangt

9.

De aanvoerder was tevreden met de uitslag.

de aanvoerder=

a)

persoonsvorm

b)

onderwerp

c)

werkwoordelijk gezegde

10.

De aanvoerder was tevreden met de uitslag.


was

Dit zinsdeel is

a)

persoonsvorm

b)

onderwerp

11.

Het werkwoordelijk gezegde vind je door alle werkwoorden in de zin op te zoeken.

a)

Juist

b)

Onjuist

12.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in:

Gisteravond heb ik met de hond gewandeld. 

a)

ik

b)
heb
c)
gewandeld
d)
heb gewandeld
13.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in:

De eenden snaterden verontwaardigd.

a)
snaterden
b)
De eenden
c)
verontwaardigd
d)
snaterden verontwaardigd
14.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in:

De jongens hebben zaterdag gevoetbald op het voetbalveld. 

a)
De jongens hebben
b)
hebben
c)
hebben gevoetbald
d)
hebben op het voetbalveld
15.

Welke zin is correct in zinsdelen verdeeld?

a)

Op een zonnige dag /

ging ik /naar het strand.

b)

Op een zonnige dag /

ging /ik / naar het strand.

c)

Op een zonnige dag ging/ ik naar/ het strand.