wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoordspelling 8 4.4

Total questions: 19

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Zet de zin in de verleden tijd.

(nakijken) Ik ... ...

(a)  

2.

Zet de zin in de verleden tijd.

(opbranden) De kaars ... ...

(a)  

3.

Zet de zin in de verleden tijd.

(verhuizen) Ik ...

(a)  

4.

Zet de zin in de verleden tijd.

(wuiven) Ik ... vanuit de koets.

(a)  

5.

Zet de zin in de tegenwoordige tijd.

(opbranden) De kaars ... ...

(a)  

6.

Zet de zin in de verleden tijd.

(bereiden) De koks ... de toetjes.

(a)  

7.

Zet de zin in de verleden tijd.

(aanrichten) De orkaan ... aanzienlijke schade (a)  

8.

In welke persoon staat het onderwerp in deze zin?

Zij maken lange wandelingen.

a)

1e persoon

b)

2e persoon

c)

derde persoon

9.

In welke persoon staat het onderwerp in deze zin?

Zien jullie die vliegenzwammen?

a)

1e persoon

b)

2e persoon

c)

derde persoon

10.

In welke persoon staat het onderwerp in deze zin?

Wij noemen dat kabouterpaddestoelen.

a)

1e persoon

b)

2e persoon

c)

derde persoon

11.

In welke persoon staat het onderwerp in deze zin?

Ze zijn namelijk rood met witte stippen.

a)

1e persoon

b)

2e persoon

c)

derde persoon

12.

In welke persoon staat het onderwerp in deze zin?

Vaak staan ze in de buurt van berkenbomen.

a)

1e persoon

b)

2e persoon

c)

derde persoon

13.

In welke persoon staat het onderwerp in deze zin?

Wij plukken die wide paddenstoelen niet.

a)

1e persoon

b)

2e persoon

c)

derde persoon

14.

Vul de juiste werkwoordsvorm in.

(vallen) Ik ben in slaap ...

(a)  

15.

Vul de juiste werkwoordsvorm in.

(onthouden) Ik heb dat nummer ...

(a)  

16.

Vul de juiste werkwoordsvorm in.

(landen) Hun vliegtuig ... zometeen.

(a)  

17.

Vul de juiste werkwoordsvorm in.

(doorzetten) Wat goed dat je hebt ... .

(a)  

18.

Vul de juiste werkwoordsvorm in.

(opblazen) Eén springlading ... in de oorlog de hele brug ...

(a)  

19.

Vul de juiste werkwoordsvorm in.

(losdraaien) Hij ... alle schroeven ... voordat hij aan 't karwei begon.

(a)