Font size
WorksheetsWerkwoordspelling 8 4.4
Total questions: 19
Worksheet time: 30mins
Zet de zin in de verleden tijd.
(nakijken) Ik ... ...
(a)
Zet de zin in de verleden tijd.
(opbranden) De kaars ... ...
(a)
Zet de zin in de verleden tijd.
(verhuizen) Ik ...
(a)
Zet de zin in de verleden tijd.
(wuiven) Ik ... vanuit de koets.
(a)
Zet de zin in de tegenwoordige tijd.
(opbranden) De kaars ... ...
(a)
Zet de zin in de verleden tijd.
(bereiden) De koks ... de toetjes.
(a)
Zet de zin in de verleden tijd.
(aanrichten) De orkaan ... aanzienlijke schade (a)
In welke persoon staat het onderwerp in deze zin?
Zij maken lange wandelingen.
1e persoon
2e persoon
derde persoon
In welke persoon staat het onderwerp in deze zin?
Zien jullie die vliegenzwammen?
1e persoon
2e persoon
derde persoon
In welke persoon staat het onderwerp in deze zin?
Wij noemen dat kabouterpaddestoelen.
1e persoon
2e persoon
derde persoon
In welke persoon staat het onderwerp in deze zin?
Ze zijn namelijk rood met witte stippen.
1e persoon
2e persoon
derde persoon
In welke persoon staat het onderwerp in deze zin?
Vaak staan ze in de buurt van berkenbomen.
1e persoon
2e persoon
derde persoon
In welke persoon staat het onderwerp in deze zin?
Wij plukken die wide paddenstoelen niet.
1e persoon
2e persoon
derde persoon
Vul de juiste werkwoordsvorm in.
(vallen) Ik ben in slaap ...
(a)
Vul de juiste werkwoordsvorm in.
(onthouden) Ik heb dat nummer ...
(a)
Vul de juiste werkwoordsvorm in.
(landen) Hun vliegtuig ... zometeen.
(a)
Vul de juiste werkwoordsvorm in.
(doorzetten) Wat goed dat je hebt ... .
(a)
Vul de juiste werkwoordsvorm in.
(opblazen) Eén springlading ... in de oorlog de hele brug ...
(a)
Vul de juiste werkwoordsvorm in.
(losdraaien) Hij ... alle schroeven ... voordat hij aan 't karwei begon.
(a)
