wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Olympus College H4 Verhaalanalyse Begrippen

Total questions: 27

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Het boek/verhaal begint bij de allereerste gebeurtenis en vertelt daarna de ander gebeurtenissen over het algemeen in de volgorde waarin ze plaats hebben gevonden.

a)

ab ovo

b)

in medias res

c)

post rem

d)

auctorieel

2.

Een verhaal dat met het slot begint en dan vertelt hoe het zover heeft kunnen komen, bijvoorbeeld door een van de hoofdpersonen terug te laten blikken op wat er gebeurd is.

a)

ab ovo

b)

in medias res

c)

post rem

d)

auctorieel

3.

de volgorde van de gebeurtenissen in het verhaal wijkt af van de volgorde waarin de gebeurtenissen in werkelijkheid hebben plaats gevonden

a)

chronologisch

b)

niet-chronologisch

c)

ab ovo

d)

auctorieel

4.

een terugblik naar het verleden waarin voor het verhaal belangrijke informatie wordt gegeven

a)

terugverwijzing

b)

flashback

c)

post rem

d)

vooruitwijzing

5.

iets uit het verleden wordt even genoemd, soms gesuggereerd zonder dat je echt wordt meegenomen naar dat verleden.

a)

terugverwijzing

b)

flashback

c)

post rem

d)

vooruitwijzing

6.

de tijd die alle vertelde gebeurtenissen (inclusief de flash backs) in beslag nemen.

a)

verteltijd

b)

vertelde tijd

7.

er verstrijkt relatief weinig tijd in veel woorden; er ontstaat tijdvertraging

a)

tijdversnelling

b)

tijdvertraging

c)

hoog verteltempo

d)

laag verteltempo

8.

tijd wordt als het ware dichter op elkaar gepropt, samengevat, bijvoorbeeld: enkele dagen (uren, jaren) later, toen hij 20 werd (als je net over iemand 15e of 19e levensjaar verteld hebt), enz.

a)

tijdvertraging

b)

vertelde tijd

c)

verdwenen tijd

d)

tijdverdichting

9.

de manier waarop de tijd voorbij gaat tussen de gebeurtenissen die achtereenvolgens verteld worden (chronologisch of niet? Met flashbacks, terugverwijzingen, tijdsprongen, tijdverdichting enz.)

a)

chronologisch

b)

vertelde tijd

c)

tijdverloop

d)

tijdverdichting

10.

de opbouw in onderdelen waaruit de handeling bestaat, bijvoorbeeld zit er een climax in, is er een dieptepunt, is er een begin, een open einde of niet?

a)

chronologie

b)

verteltijd

c)

tijdverloop

d)

geleding

11.

Een samenvatting van de gebeurtenissen in chronologische volgorde.

Dit noemen we: (a)   (vijf letters)

12.

een samenvatting van het verhaal in de volgorde waarin de schrijver de gebeurtenissen vertelt.

Dit noemen we: (a)   (vijf letters)

13.

de bedoeling, ‘boodschap’ van de schrijver in één zin.

a)

thema

b)

hoofdgedachte

c)

motief

d)

sujet

14.

een situatie, gebeurtenis, voorwerp, uitspraak die herhaaldelijk voorkomt in het verhaal en een aanwijzing voor het hoofdonderwerp geeft.

a)

thema

b)

hoofdgedachte

c)

motief

d)

sujet

15.

verschillende motieven die door de eeuwen heen in verschillende verhalen (vaak in verschillende landen) voorkomen, zoals het motief van de boze stiefmoeder in oude volksverhalen als het sprookje, maar ook in modernere literatuur.

Dit noemen we een ....... (8) .......... (10) motief.

(a)  

16.

er is geen duidelijk afloop aan het verhaal, er zijn meer eindes mogelijk, maar de schrijver maakt daarin geen keuze.

Hoe heet dit? .... .....

(a)  

17.

de plaats waar het verhaal zich afspeelt, waar de gebeurtenissen in een verhaal zich afspelen.

a)

plaats van handeling

b)

ruimte

c)

perspectief

d)

motief van handeling

18.

De stemming en sfeer die in de ruimte zitten (bijvoorbeeld een lichte woonkamer met bloemen en veel ruimte) zijn dezelfde als de sfeer die in de handeling zit (gelukkig en blij zijn).

a)

Overeenkomst tussen ruimte en handeling

b)

Contrast tussen ruimte en handeling

c)

Ruimte weerspiegelt de handeling

d)

Symbolische waarde van ruimte-elementen

19.

De belangrijke ruimtes kunnen de handeling (gebeurtenissen, gevoelens, situatie van personen) extra betekenis, extra nadruk geven

a)

Overeenkomst tussen ruimte en handeling

b)

Contrast tussen ruimte en handeling

c)

Ruimte weerspiegelt de handeling

d)

Symbolische waarde van ruimte-elementen

20.

gedachten en gevoelens van een verhaalfiguur worden beschreven. Ook maakt het personage een ontwikkeling door in het verhaal.

a)

Type

b)

Flat character

c)

Round Character

d)

Held

21.

een personage waarvan je niet veel te weten komt; het personage maakt geen ontwikkeling door.

a)

Type

b)

Flat character

c)

Round Character

d)

Held

22.

Dit personage in een verhaal is de hoofdpersoon met sterke, goede eigenschappen (hij is sterk, slim, dapper enz).

a)

Type

b)

Flat character

c)

Round Character

d)

Held

23.

Als we het perspectief kunnen vertrouwen omdat het niet deelneemt aan de handeling en geen mening heeft, noemen we het

a)

Objectief

b)

Subjectief

c)

Meervoudig

d)

Personaal

24.

Vertelsituatie waarbij een buiten en boven de tekst staande verteller optreedt. Deze verteller speelt dus zelf geen rol in het verhaal

a)

personaal

b)

auctorieel

c)

alwetend

d)

ik-perspectief

25.

Het perspectief van de vertellersinstantie ligt 'achter de camera'. Deze neemt alleen waar....

a)

personaal

b)

auctorieel

c)

alwetend

d)

ik-perspectief

26.

'Gisteren was het eindelijk zover, wij kregen een oefentoets van Van Rossem, en die bleek bijzonder nuttig.'

a)

personaal

b)

auctorieel

c)

alwetend

d)

ik-perspectief

27.

Wanneer we het verhaal meemaken door de ogen van meerdere vertellers, binnen en/of buiten de handeling, noemen we dat....

a)

Alwetende vertellers

b)

Afwisselend perspectief

c)

Meervoudig perspectief

d)

Personale vertelsituatie