wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3H hoofdstuk 1 - krachten

Total questions: 15

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Welke eenheid wordt er gebruikt voor de grootheid ‘kracht’?

a)

kg

b)

cm

c)

N

d)

Nm

2.

Hoe heet de aantrekkingskracht van de aarde?

a)

veerkracht

b)

zwaartekracht

c)

spankracht

d)

normaalkracht

3.

Hoe noem je de kracht die in een touw of kabel werkt?

a)

veerkracht

b)

spierkracht

c)

normaalkracht

d)

spankracht

4.

Hoe noem je de kracht die de ondergrond omhoog levert?

a)

veerkracht

b)

zwaartekracht

c)

normaalkracht

d)

spankracht

5.

Wat is een vector?

a)

dit is een ander woord voor kracht

b)

dit is de eenheid van de grootheid kracht

c)

dit is een grootheid met een grootte en een richting

d)

dit is een grootheid met alleen een grootte

6.

Wat is de juiste definitie van de grootheid ‘arm’?

a)

afstand tussen het draaipunt en de kracht

b)

kleinste afstand tussen het draaipunt en de werklijn van de kracht

c)

grootste afstand tussen het draaipunt en de werklijn van de kracht

d)

afstand tussen het draaipunt en het moment

7.

Een vector bestaat altijd uit 3 onderdelen, welke zijn dat?

a)

kracht, snelheid en versnelling

b)

aangrijpingspunt, richting en massa

c)

richting, massa en grootte

d)

grootte, aangrijpingspunt en richting

8.

Welke plek is bij de zwaartekracht altijd het aangrijpingspunt voor het tekenen van de vector?

a)

de ondergrond

b)

de valversnelling

c)

het zwaartepunt

d)

het draaipunt

9.

Veer A heeft een veerconstante van 30 N/m, veer B heeft een veerconstante van 30 N/cm. Welke veer is het stugst?

a)

veer A

b)

veer B

10.

Twee honden, Rakker en Bo, worden uitgelaten door Jim. Bo trekt met een kracht van 78 N naar rechts, Rakker trekt met een kracht van 25 N naar links. Hoe groot is de resulterende kracht op Jim, en welke kant werkt hij op?

a)

53 N, naar rechts

b)

53 N, naar links

c)

103 N, naar rechts

d)

103 N, naar links

11.

Op een andere planeet heeft een massa van 900 gram een zwaartekracht van 35 N. Bereken de valversnelling op deze planeet. Rond je antwoord af op 1 decimaal. schrijf de eenheid als m/s2.

(a)  

12.

Een kracht van 530 N bevindt zich op een afstand van 20 cm links van het draaipunt, rechts van het draaipunt werkt een kracht van 460 N. Op welke afstand, rechts van het draaipunt, moet deze kracht zich bevinden om de hefboom in evenwicht te houden? Rond af op een geheel getal.

(a)  

13.

Een veer heeft een veerconstante van 15 N/m, er wordt met een kracht van 0,5 N aan getrokken. De beginlengte van de veer was 10 cm. Bereken hoelang de veer wordt, rond je antwoord af op 1 decimaal.

(a)  

14.

Aan een veer wordt een gewichtje gehangen van 50 gram, de veer rekt daardoor 4 cm uit. Bereken de veerconstante in N/cm, rond je antwoord af op 2 decimalen.

(a)  

15.

Een voorwerp heeft een massa van 23 kg. Bereken de zwaartekracht. Rond af op een geheel getal.

(a)