wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Inleiding Milieukunde

Total questions: 60

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.

Milieu wordt onderverdeeld in het artificiële, natuurlijke en sociale milieu. Er wordt wel gezegd dat Nederland geen natuurlijk milieu (meer) heeft. Wat wordt daarmee bedoeld?

a)

In Nederland is alleen sprake van sociaal milieu.

b)

De hele omgeving in Nederland wordt door de mens beïnvloed.

c)

Natuurlijk milieu kan zichzelf niet redden, daar zijn mensen voor nodig.

d)

Natuurlijk milieu kan zichzelf niet redden, daar zijn mensen voor nodig.

2.

Milieudisciplines kunnen worden ingedeeld in twee richtingen, de sociaalwetenschappelijke en natuurwetenschappelijke richting. Valt het stellig vasthouden aan de auto als absolute vorm van ‘vrijheid’ onder de sociaalwetenschappelijke of natuurwetenschappelijke richting?

a)

Sociaalwetenschappelijke richting

b)

Natuurwetenschappelijke richting

3.

Het toenemen van de concentratie van een schadelijke stof als DDT in de voedselketen noemen we:

a)

verspreiding

b)

bioaccumulatie

c)

duurzame ontwikkeling

d)

bioturbatie

4.

Hoe kan er een dynamische evenwichtssituatie ontstaan?

a)

Wanneer de hoeveelheid stoffen in de biosfeer en stratosfeer gelijk zijn.

b)

Wanneer de hoeveelheid stoffen in twee ecosystemen gelijk zijn en er uitwisseling plaatsvindt.

c)

Wanneer onder invloed van diverse regulatiemechanismen een voortdurende uitwisseling van stoffen en energie plaatsvindt tussen organismen en hun omgeving.

d)

Wanneer mens en dier in complete harmonie naast elkaar in de natuur leven.

5.

Welke indeling van de vijf schaalniveaus is de juiste?

a)

gemeente – provincie – landelijk – Europa – wereld

b)

lokaal – regionaal – fluviaal – continentaal – mondiaal

c)

eigen huishouding – buurt – woonplaats – gemeente – provincie

6.

Er is protest tegen sproeien van pesticiden in de bollenvelden, omdat dit te dicht gebeurt waar mensen wonen. Welke van de drie manieren kan deze toevoeging van stoffen in de leefomgeving worden getypeerd?

a)

bewuste handeling

b)

ramp

c)

onbewuste handeling

7.

Waar staan de letters in CHNOPS voor?

a)

cadmium, helium, natrium, osmium, plutonium, seleen

b)

koolstof, waterstof, stikstof, zuurstof, fosfor, zwavel

c)

cola, heroïne, nicotine, opium, pizza, sinas

d)

chloor, hafnium, neon, osmium, palladium, scandium

8.

Wat zijn autotrofe organismen?

a)

Mensen die zich louter in auto’s verplaatsen.

b)

Organismen die leven door fotosynthese geleverde energie.

c)

Organismen die leven door organische stof om te zetten in anorganische stof.

d)

Organismen die leven door middel van ademhaling.

9.

Wat is een juist voorbeeld van fysische verwering?

a)

Splijting van gesteente door bijvoorbeeld boomwortels.

b)

Oplossen van gesteente door in regenwater opgelost koolstofdioxide.

c)

Afbreking onder invloed van temperatuurverschillen zoals bij vorst.

10.

De oeratmosfeer bevatte bijna geen zuurstof, maar alleen ammoniak en methaan. Hoe is de zuurstofproductie op gang gekomen en daarmee het leven op aarde?

a)

Doordat er op een gegeven moment een chemische reactie ontstond waarbij zuurstof vrijkwam.

b)

Doordat de oceanen waren ontstaan met daarin de eerste vormen van leven en zo fotosynthese ontstond.

c)

Doordat in de biosfeer de eerste organismen evolueerden en begonnen te ademhalen.

d)

Het was God die aan de organismen z’n levensadem gaf, wat wij nu op wetenschappelijke wijze als zuurstof beschrijven.

11.

Met zuurstof in de atmosfeer werd er ozon gevormd. Op welke manier maakt ozon leven op aarde mogelijk?

a)

Meest schadelijke ultraviolette straling wordt geabsorbeerd.

b)

Door de ozonlaag wordt de tropo- van de stratosfeer gescheiden.

c)

De ozonlaag kan dienen als (tijdelijke) dumpplaats voor gasvormige afvalstoffen.

d)

De ozonlaag maakt wolken mogelijk en daardoor regenwater.

12.

Zet de volgorde van de sferen in de goede volgorde van hoog naar laag.

a)

troposfeer – stratosfeer – mesosfeer – thermosfeer

b)

thermosfeer – mesosfeer – stratosfeer – troposfeer

c)

biosfeer – hydrosfeer – atmosfeer – lithosfeer

d)

lithosfeer – atmosfeer – hydrosfeer – biosfeer

13.

Uit welke hoofdbestanddelen en nevenbestanddelen bestaat droge lucht?

a)

koolstofdioxide, waterstof, argon, zuurstof

b)

methaan, zuurstof, stikstof, water

c)

stikstof, zuurstof, argon, koolstofdioxide

d)

CFK, zuurstof, argon, stikstof

14.

Wat is turbiditeit?

a)

Trillingen in de lucht.

b)

Het overgaan van de ene gassoort naar de andere.

c)

Troebelheid van de lucht.

d)

Hoge concentratie vloeibare deeltjes in de lucht.

15.

UV-C- en UV-B-straling is schadelijk voor het leven op aarde. Noem drie voorbeelden van negatieve effecten.

a)

Vergeling van plastics, sneeuwblindheid, smogvorming.

b)

Verdroging, verzuring, vermesting.

c)

Bevolkingsgroei, toename van omvang milieugebruik, verandering in aard milieugebruik.

d)

Sea spray, run off, feed back.

16.

De reactievergelijking van de afbraak van een CFK-molecuul in de stratosfeer is de volgende:

 

CFCl3 + h·f CFCl2 + Cl

 

Wat wordt met h·f in deze reactievergelijking bedoeld?

a)

heel frequent

b)

hoge fotosynthese

c)

h = constante van Planck / f = frequentie van straling

d)

h = hoogte / f = frequentie

17.

Over een periode van hoeveel jaar moet van een bepaald gebied de gemiddelde waarden van een groot aantal meteorologische grootheden zoals wind, temperatuur en neerslag bekend zijn om het klimaat te kunnen beschrijven?

a)

30 jaar

b)

1 jaar

c)

1000 jaar

d)

300 jaar

18.

Broeikaseffect heeft een negatieve connotatie, maar natuurlijk broeikaseffect is noodzakelijk voor al het leven op aarde. Waarom?

a)

Zonder natuurlijk broeikaseffect zouden we in Nederland niet tomaten kunnen verbouwen.

b)

Zonder natuurlijk broeikaseffect zou de concentratie zuurstof te groot kunnen worden.

c)

Zonder natuurlijk broeikaseffect zouden meteorologische grootheden niet worden onderdrukt en dus vrij spel hebben.

d)

Zonder natuurlijk broeikaseffect zou de gemiddelde temperatuur op aarde rond de -18 °C bedragen.

19.

Methaangas is één van de boosdoeners die versterkt broeikaseffect veroorzaken. Bekend voorbeeld is dat door veeteelt CH4-concentratie toeneemt. Door welke drie andere oorzaken stijgt de concentratie methaan?

a)

Verkeer, industrie, huishoudens.

b)

Natte rijstbouw, exploitatie fossiele grondstoffen, ontdooiing permafrost.

c)

Fotosynthese, mineralisatie, verstoring.

d)

Ontbossing, ruilverkaveling, laag waterpeil.

20.

Over klimaatverandering is nog veel onduidelijk. Ook welke rol H2O speelt. Het heeft echter een broeikaswerking. Hoe?

a)

Door waterdamp wordt de werking van de broeikasgassen versterkt.

b)

Als H2O verdampt zit er minder water in de oceanen, welke een dempende werking op broeikassen heeft.

c)

H2O heeft broeikaswerking als damp in de atmosfeer en in de vorm van wolken.

d)

Volgens de nieuwste inzichten heeft het geen broeikaswerking, omdat het juist de broeikasgassen oplost.

21.

Hoe versterkt bij aantasting van de ozonlaag fytoplankton het broeikaseffect?

a)

Verhoogde UV-straling heeft celbeschadiging van fytoplankton als gevolg en kan zo minder CO2 vastleggen.

b)

Door hogere temperaturen verdampt het fytoplankton en vormt het een broeikasgas in de atmosfeer.

c)

Door verhoogde CO2-concentraties wordt de fotosynthese van fytoplankton verstoord.

d)

Door de zeespiegelstijging zinkt het fytoplankton en kan er geen fotosynthese meer plaatsvinden.

22.

Welke drie stoffen worden bij verzuring bedoeld?

a)

methaan, stikstof, zuurstof

b)

azijn, olie, nitraat

c)

CFK, chloor, ammoniak

d)

stikstofoxiden, zwaveldioxide, ammoniak

23.

Verzuring laat overal haar sporen na. Een neveneffect van verzuring is desorptie van bepaalde metaalionen, zoals aluminiumionen. Leg uit wat met desorptie bedoeld wordt.

a)

Geadsorbeerde metaalionen komen door verzuring vrij en brengen zo schade toe aan organismen.

b)

Is depositie van zure regen waarbij metaalionen meekomen.

c)

Is de overschrijding van het aantal H+-ionen in de metaalionen wat de natuur aan kan.

d)

Is de omzetting van metaalionen in stikstofoxiden.

24.

Waar staat VOS voor?

a)

Vrijgekomen Onschadelijke Stikstof

b)

Vluchtige Organische Stoffen

c)

Voortvluchtige Ongevaarlijke Syriër

d)

Vaste Ongewenste Stoffen

25.

Wat maakt dat de Rijn in tegenstelling tot de Maas een grotere bergingscapaciteit heeft en daarmee een minder variërende waterstand?

a)

De Rijn is veel langer en kan daarom meer water kwijt.

b)

In de Maas zijn veel stuwdammen aangebracht, die het water ophouden.

c)

De Rijn wordt gevoed door regenwater alleen, de Maas door regenwater en smeltwater, dus krijgt meer aanvoer.

d)

In het afwateringsgebied van de Rijn komen enkele grote meren voor.

26.

Wat is plastic soep?

a)

Soep uit een pakje.

b)

Plastic dat ronddrijft in zeeën en oceanen.

c)

Kunstmatig geproduceerde soep.

d)

Soep van plastic vanwege gebrek aan groenten.

27.

Wat is eutrofiëring?

a)

Het zouter worden van zoet water.

b)

Vermesting van aquatische ecosystemen.

c)

Vermesting van terrestrische ecosystemen.

d)

Het onttrekken van nutriënten uit oppervlaktewater.

28.

Wat is secundaire bodemvorming?

a)

Bodemvorming onder primaire bodem.

b)

Nadat de bodem is afgegraven ontstaat nieuwe bodemvorming.

c)

Na sedimentatie kan er opnieuw bodemvorming optreden.

d)

Bodemvorming door de mens zoals aanleg van wegen.

29.

Wat wordt ermee bedoeld dat bodem een driefasig systeem is?

a)

Bodem bestaat uit vaste stof, bodemvocht en bodemlucht.

b)

Bodem bestaat uit zand, silt, lutum.

c)

Bodem bestaat uit micro-, meso- en macro-organismen.

d)

Bodem bestaat uit humus, mineralen en anorganische stoffen.

30.

Leem bestaat uit?

a)

grind en zand

b)

organische en anorganische stof

c)

silt en lutum

d)

veen en humus

31.

Hoe kan verdroging verzuring en vermesting versterken?

a)

Droge bodem neemt makkelijk mest en zuur op.

b)

Droge bodem is van nature kalkarm en zo gevoelig voor verzuring en vermesting.

c)

In droge bodem kan het zuur en mest niet weggespoeld worden.

d)

In droge bodem kan meer lucht doordringen wat de activiteit van micro-organismen bevordert.

32.

Noem een voorbeeld van preventie om de hoeveelheid afval te verkleinen

a)

Geen nieuwe producten kopen.

b)

Efficiënter gebruik van grondstoffen.

c)

Kwalitatief betere producten maken.

d)

Etenswaren zonder verpakking kopen.

33.

Wat wordt met multifunctioneel saneren bedoeld?

a)

Het op vele manieren saneren van de bodem.

b)

Een schoongemaakt terrein kan voor alle doeleinden worden gebruikt.

c)

Dat een terrein alleen geschikt is voor een multifunctioneel centrum (MFC).

d)

Dat een terrein waar bijvoorbeeld een speeltuin komt schoner moet zijn dan bijvoorbeeld een bedrijventerrein.

34.

Sinds wanneer zijn er milieuproblemen?

a)

Sinds de industriële revolutie.

b)

Sinds de oprichting van Shell.

c)

Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog.

d)

Sinds er mensen zijn.

35.

In een markteconomie stijgt de prijs als het aanbod schaars is.

a)

Waar

b)

Niet waar

36.

De tekort schietende productie van een planeconomie heeft als gevolg dat er geen milieuvervuiling plaatsvindt.

a)

Waar

b)

Niet waar

37.

Negatieve milieueffecten van het grootschalig gebruik van voorraden in ontwikkelingslanden worden ruimschoots verdisconteerd in de prijzen.

a)

Waar

b)

Niet waar

38.

Wat wordt onder een wereldbeeld verstaan?

a)

Een beeldje van de wereld voor in de boekenkast.

b)

De optelsom van alle ervaringen die iemand d.m.v. te reizen van de wereld heeft.

c)

Alle houdingen die iemand er op nahoudt bij elkaar.

d)

Het grote plaatje kunnen overzien.

39.

Jaap studeert Milieukunde en raapt daarom in zijn vrije tijd zwerfafval.

a)

Jaap hangt de collectieve waarde milieuvriendelijkheid aan en heeft als norm dat zwerfafval uit den boze is.

b)

Jaap hangt de collectieve norm milieuvriendelijkheid aan en heeft als waarde dat zwerfafval uit den boze is.

40.

Noem een voorbeeld van ruimtelijke afwenteling.

a)

Dat je je afvalzakken bij je buurman in de tuin gooit.

b)

Het transporteren van plastic afval naar Polen waar het wordt verbrand.

c)

Dat Meta een datacenter in Zeewolde plaatst i.p.v. net buiten Silicon Valley.

d)

Het lozen van afvalwater in De rijn, zodat het richting deltagebied stroomt.

41.

Er zijn vier manieren om gedragsverandering te realiseren.

a)

juridische, economische, sociale en materiële instrumenten

b)

heropvoedingskamp, afschieten, tik op de vingers en een schop onder de kont

c)

scholing, medische ingreep, verplichte emigratie en beloning

42.

Noem drie milieucompartementen waarop in de jaren ’60 en ’70 milieuverontreiniging in eerste instantie zichtbaar werd.

a)

bos, zee, heidevelden

b)

bodem, lucht, water

c)

biosfeer, lithosfeer, hydrosfeer

d)

ruimtelijk, in de tijd, naar de gemeenschap

43.

Noem een nadeel van de compartimentsgewijze benadering (sectorale aanpak).

a)

Geen uitdaging als je slechts drie factoren hebt.

b)

Met drie compartimenten maak je het nodeloos ingewikkeld.

c)

Compartimenten zijn niet als geïsoleerde verschijnselen te beschouwen.

d)

Niet elk land heeft de drie compartimenten.

44.

Waar staat PBL voor?

a)

People, Beasts, Leisure

b)

Plannen voor Betere Leefomstandigheden

c)

Planet, Beer, Leverworst

d)

Planbureau voor de Leefomgeving

45.

Wat wordt met absolute ontkoppeling bedoeld?

a)

Daalt de milieudruk (of blijft gelijk), terwijl de economie groeit.

b)

Bij economische groei stijgt de milieudruk, maar niet zo snel als de economie.

c)

Aanvankelijke daling van de milieudruk gaat over in een stijging van de milieudruk bij de groei van de economie.

46.

Bij een bedrijf is vastgesteld dat het bodemwater verontreinigd raakt en daarom moet het bedrijf gaan zuiveren. Is dit een voorbeeld van bron- of effectgericht milieubeleid?

a)

Brongericht milieubeleid

b)

Effectgericht milieubeleid

47.

Wat is het verschil tussen het preventie- en voorzorgsbeginsel?

a)

Bij preventie wordt de vervuiling bij de bron aangepakt, bij voorzorg later.

b)

Bij voorzorg wordt ook rekening gehouden met milieuschade dat je van te voren niet weet.

c)

Bij preventie begin je er niet aan als er milieuschade gaat optreden, bij voorzorg pak je het voorzichtig aan.

d)

Bij voorzorg moet de vervuiler uit voorzorg al een fikse som betalen voor de milieuschade.

48.

Op een gegeven moment wordt het prijsmechanisme ingebouwd. Wat wordt daarmee bedoeld?

a)

Als iets schoner wordt geproduceerd, moet dat product duurder zijn.

b)

Als iets schoner wordt geproduceerd, moet dat product goedkoper zijn.

c)

Het wordt lonend gemaakt om op een schone(re) manier te produceren.

d)

Als iets niet op een schone manier geproduceerd is, mag het niet worden verkocht.

49.

Noem een voorbeeld van een stakeholder van een bedrijf.

a)

Klant

b)

Buur

c)

Milieugroep

d)

Vakbond

50.

Hoe blijf je met alle negatieve berichten toch optimistisch?

a)

Wie zegt dat ik pessimistisch ben?

b)

Het zal mijn tijd allemaal wel duren.

c)

Ik focus me op de positieve verhalen.

d)

Als de mensheid eindelijk ten onder gaat, begint de aarde aan een nieuwe levenscyclus.

51.

Wat betekent de term 'exotherm'?

a)

Een reactie waarbij warmte vrijkomt.

b)

Een reactie waarbij energie nodig is, in de vorm van warmte.

52.

Wat doet een denitrificerende bacterie?

a)

Zet nitraat NO3- om in stikstof N2.

b)

Zet ammonium NH4+ (NH3) om in nitraat NO2-

c)

Zet stikstof N2 om in ammonium NH4+ (NH3).

d)

Zet anommox om in stikstof N2.

53.

Geef de formule voor fotosynthese.

a)

CO2 + H2O + lichtenergie \rightarrow  C6H12O6 + O2

b)

6 CO2 + 6 H2O + lichtenergie \rightarrow  C6H12O6 + 6 O2

c)

plantjes + zonlicht \rightarrow  zuurstof

d)

N2 + CH4 \rightarrow  H2O + O2

54.

Op hoeveel kilometer hoogte zit de ozonpiek?

a)

Ozonpiek? Ik ken alleen het gat in de ozonlaag.

b)

Op 100 kilometer hoogte.

c)

Op 10 kilometer hoogte.

d)

Op 30 kilometer hoogte.

55.

Welke twee stoffen worden in salpeterzuur (HNO3) omgezet en dragen zo bij aan het milieuprobleem verzuring?

a)

zwaveldioxide en methaan

b)

fosfor en zwavel

c)

stikstofoxiden en ammoniak

d)

azijn en zure bommen

56.

Wat wordt met demografische transitie bedoeld?

a)

Dat de bevolkingsgroei door een laag sterftecijfer ineens erg toeneemt.

b)

De overgang van een hoog geboorte- en sterftecijfer naar een laag geboorte- en stertecijfer.

c)

De overgang van een laag geboorte- en sterftecijfer naar een hoog geboorte- en sterftecijfer.

d)

Dat de bevolkingsgroei door een hoog geboortecijfer ineens erg toeneemt.

57.

Wat is een monocultuur?

a)

Op hetzelfde stuk grond wordt altijd eenzelfde gewas verbouwd.

b)

Wanneer in een samenleving sprake is van één soort cultuur.

c)

Op hetzelfde stuk grond wordt het ene jaar één soort gewas verbouwd, het andere jaar een ander soort.

d)

Het proces van een soortenrijk gebied naar een gebied met maar één soort.

58.

Noem een voorbeeld van een materieel instrument die de overheid kan inzetten om gedragsverandering bij de burger te bewerkstelligen.

a)

Reclamespotjes.

b)

Het verstrekken van subsidies.

c)

Het plaatsen van zonnepanelen op overheidsgebouwen.

d)

Met het juiste materiaal zo hard mogelijk slaan.

59.

Noem een voorbeeld van een 'end of the pipe'-oplossing.

a)

afvalwaterzuivering

b)

schonere productietechniek

c)

hergebruik van grondstoffen

d)

Bodemsanering.

60.

Waar staat SDG voor?

a)

Sociale en Duurzame Groei

b)

Social Department of Growth

c)

Sustainable Development Goals

d)

Sociale en Duurzame Gebieden