wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Glucoseregeling en lever (klas 2)

Total questions: 14

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Bij welke ziekte wordt er niet of nauwelijks nog insuline geproduceerd?

a)

Diabetes type I

b)

Diabetes type II

c)

Lever cirrose

d)

Hemochromatose

2.

In welk bloedvat zit soms heel veel glucose en soms heel weinig glucose?

a)

darmslagader

b)

poortader

c)

Leverslagader

3.

In welk orgaan worden overtollige aminozuren afgebroken?

a)

Lever

b)

Nieren

c)

Alvleesklier

d)

Dunne darm

4.
Wat betekent het, dat je lichaam de samenstelling van je bloed constant houdt?
a)
Dat je ziek wordt als er van een stof te veel in je bloed zit
b)
Dat een tekort aan een stof in je bloed aangevuld wordt
c)
Dat de samenstelling van je bloed nooit verandert
d)
Dat er altijd evenveel glucose in je bloed zit
5.
In de afbeelding zie je een schematische tekening van de organen die afvalstoffen uit je lichaam verwijderen.  a.  Hoe heten de organen 2 en 4?  b. Schrijf achter elk orgaan van vraag a een stof die het orgaan uitscheidt.
a)

2. Longen: water / 4. Lever: kleurstoffen

b)

2. Longen: kleurstoffen / 4: Lever: water

c)

2. Lever: water / 4. Longen: kleurstoffen

d)

2. Lever: kleurstoffen / 4. Longen: water

6.
De lever zorgt ervoor dat het glucosegehalte in je bloed ongeveer constant is.   Wat gebeurt er als er na het eten opeens veel glucose in het bloed zit?
a)
Glucose wordt glycogeen en gaat vanuit je lever het bloed in
b)
Glucose wordt glycogeen en wordt opgeslagen in de lever
c)
Glycogeen wordt glucose en gaat vanuit je lever het bloed in
d)
Glycogeen wordt glucose en wordt opgeslagen in je lever
7.

Drie beweringen over diabetes type I zijn de volgende.  1. Bij diabetes type I bevat het bloed te veel glucose. 2. Bij diabetes type I vormt de lever te veel glycogeen. 3. Bij diabetes type I maakt de alvleesklier te weinig insuline. 

Welke beweringen zijn juist?

a)
1 en 2
b)
1 en 3
c)
2 en 3
8.

Jantien vergelijkt de lever met een chemische fabriek. Welke omzetting vindt plaats in de lever?

a)
Afbreken van ureum
b)
Afbreken van giftige stoffen
c)
Afbreken van rode bloedcellen
d)

Afbreken van ijzer

9.
Welk orgaan werkt niet goed bij diabetes type 1?
a)
De lever
b)
De nieren
c)
De alvleesklier
d)

De darmen

10.
Waar of niet waar?Bij diabetes type 2 zijn de lichaamscellen ongevoelig geworden voor insuline
a)
Waar
b)
Niet waar
11.
De poortadertakjes vervoeren
a)

Voedingsstoffen naar de darm

b)

Voedingsstoffen uit de darm

12.
De lever zorgt ervoor dat de samenstelling van het bloed niet te veel wisselt.
a)

Onjuist

b)
Juist
13.

Drie beweringen over diabetes type II zijn de volgende.  1. Bij diabetes type II bevat het bloed te veel glucose. 2. Bij diabetes type II vormt de lever te veel glycogeen. 3. Bij diabetes type II maakt de alvleesklier te weinig insuline. 

Welke beweringen zijn juist?

a)

Alleen 1

b)

1 en 2

c)

1 en 3

d)

2 en 3

e)

Alleen 3

14.

Hoe wordt zuurstof naar de lever vervoerd?

a)

Via de leverslagader

b)

Via de poortader

c)

Via de leverslagader en via de poortader

d)

Via de leverader