wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Examenrace genetica AG2

Total questions: 20

Worksheet time: 2hrs 40mins

Name
Class
Date
1.

Bij mensen is het allel voor zwart haar (A) dominant over het allel voor blond haar (a). Het allel voor krullend haar is (B) dominant over dat voor sluik haar (b). De genen zijn niet gekoppeld. Een vrouw met zwart krullend haar is heterozygoot voor beide eigenschappen. Ze verwacht een kind van een man met blond, sluik haar. Ze hoopt dat het kind dezelfde haarkleur en haarvorm heeft als zij. Zij wil weten hoe groot de kans hierop is. Hoe groot is dan de kans dat het kind dezelfde haarkleur en haarvorm heeft als moeder? Geef je antwoord in percentage of breuk.

(a)  

2.

1.    In de afbeelding hierboven zijn de chromosomen afgebeeld van een man. Met een pijl is een chromosoom aangegeven waarin een mutatie is opgetreden. De mutatie zit in alle cellen van de man. Deze man krijgt een kind.

Hoe groot is de kans dat de mutatie in de chromosomen van dat kind voorkomt?

a)

0

b)

1/4

c)

1/2

d)

1

3.

Een grote plant met witte bloemen werd gekruist met een grote plant met rode bloemen. De fenotypen van de nakomelingen en hun verhoudingen waren:

3 Grote planten met rode bloemen

3 Grote planten met witte bloemen

1 Kleine plant met rode bloemen

1 Kleine plant met witte bloemen

Gebruik bij het antwoord de volgende gegevens: E en e zijn allelen voor de grootte van de plant  F en f zijn allelen voor de kleur van de bloemen  Welk genotype kan de grote ouderplant met rode bloemen hebben gehad?

a)

EEFF of EEFf

b)

EEFf of EEff

c)

EeFF of EeFf 

d)

Eeff of EeFf

4.

1.    Het klein robertskruid is een plant uit de ooievaarsbekfamilie. De eicellen van deze plant bevatten 16 chromosomen.

Hoeveel chromosomen bevat een cel van een blad van het klein robertskruid?

(a)  

5.

Bij cavia’s is het allel voor zwarte haarkleur (A) dominant over witte haarkleur (a). Het allel voor ruwe vacht (B) is dominant over dat voor een gladde vacht (b). Men kruist twee dieren die heterozygoot zijn voor beide allelen. Welk deel van de nakomelingen is homozygoot voor zowel zwart als ruw haar? Geef je antwoord in procenten of breuk.

(a)  

6.

Op welk moment komt het genotype van een baby tot stand?

a)

Op het moment van de vorming van de eicel.

b)

Op het moment van de vorming van de zaadcel die de eicel bevrucht.

c)

Op het moment van de bevruchting van de eicel.

d)

Op het moment van de geboorte van de baby.

7.

Een varken brengt een aantal biggen ter wereld. Deze nakomelingen groeien gezond op bij verschillende varkensboeren. Na twee jaar verschillen zij in grootte. Waardoor kan dit verschil in grootte zijn veroorzaakt?

a)

Alleen door een verschil in erfelijke eigenschappen.

b)

Alleen door invloeden uit het milieu.

c)

Door verschil in erfelijke eigenschappen EN invloeden uit het milieu.

8.

Bij een bepaalde bloemsoort is de bloemkleur intermediair (roze). Als een rode bloem wordt gekruist (P) met een witte bloem ontstaan roze nakomelingen (F1). Deze nakomelingen (F1) worden onderling gekruist. Hoeveel van de 32 nakomelingen verwacht je dat er roze zullen zijn in de F2?

(a)  

9.

De bouw van een celkern is bij alle zoogdieren in principe gelijk. Ratten en mensen zijn allebei zoogdieren. Bij bepaalde cellen van een bruine rat bevat de celkern 21 verschillende chromosomen. Zijn deze cellen geslachtscellen of lichaamscellen?

a)

Lichaamscellen

b)

Geslachtscellen

10.

Bij hoefdieren hebben RR-individuen een rode, rr-dieren een witte en Rr-dieren een grijsachtig rode (roan) vacht. Ongehoornde dieren zijn het resultaat van de aanwezigheid van het dominante gen P, gehoornde dieren bezitten het genotype pp. Een wit/gehoord dier wordt gekruist met een rood dier dat homozygoot is voor ongehoord. Vervolgens worden de dieren uit de F1 teruggekruist met de witte/gehoornde dieren van de P-generatie. Hoe groot is de kans dat de hoefdieren in de F2 hetzelfde fenotype hebben als in de F1? Geef je antwoord in percentage of breuk.

(a)  

11.

De ziekte van Pompe wordt veroorzaakt door gen. Bij individuen met het recessieve genotype rr worden door een stoornis in de werking van de lysosomen de spieren aangetast. In de familie van een vrouw V én in de familie van een man W komt het recessieve gen (r) voor de ziekte van Pompe voor. In de afbeelding zijn de genotypen in de eerste generatie van beide families weergegeven.

V en W krijgen samen een kind. Bereken de kans dat dit kind de ziekte van Pompe heeft. Geef je antwoord als percentage of breuk



(a)  

12.

In de afbeelding is het ontstaan van een tweeling schematisch weergegeven. Kind 1 is een jongen.

Welk geslacht heeft kind 2?

a)

Jongen

b)

Meisje

c)

Dat is uit de afbeelding niet af te leiden

13.

Er zijn verschillende erfelijke aandoeningen waarbij de bloedstolling van mensen niet goed verloopt. Een zo’n aandoening is de ziekte van Von Willebrand. Van deze ziekte komen verschillende types voor, waarvan de ernstigste type 3 wordt genoemd. Deze vorm van de ziekte wordt veroorzaakt door een recessief gen (a).

Wat is het genotype van een patiënt met de ziekte van Von Willebrand type 3?

(a)  

14.

Er zijn verschillende erfelijke aandoeningen waarbij de bloedstolling van mensen niet goed verloopt. Een zo’n aandoening is de ziekte van Von Willebrand. Van deze ziekte komen verschillende types voor, waarvan de ernstigste type 3 wordt genoemd. Deze vorm van de ziekte wordt veroorzaakt door een recessief gen (a).

Maartje heeft de ziekte van Von Willebrand type 3. Haar ouders hebben de ziekte niet. Wat zegt dat over de ouders?

a)

De ene ouder is heterozygoot, de andere ouder is homozygoot.

b)

Haar ouders zijn allebei heterozygoot.

c)

Haar ouders zijn allebei homozygoot.

15.

De afbeelding toont de chromosomen uit een gewone lichaamscel van het paard. De getallen geven de paren chromosomen aan. Hoeveel chromosomen zitten er in een geslachtscel van een paard?

(a)  

16.

De bloemen van de kikkererwtenplant zijn wit of paars. Het gen voor de paarse kleur is dominant.

Een kweker heeft de beschikking over drie kikkererwtenplanten:

-       plant 1: met witte bloemen;

-       plant 2: homozygoot, met paarse bloemen;

-       plant 3: met paarse bloemen en onbekend genotype.

Om te bepalen of plant 3 homozygoot of heterozygoot is, wil hij deze plant kruisen met een van de andere twee planten. Uit de fenotypen van een groot aantal nakomelingen wil hij dan een conclusie trekken over het genotype van plant 3.

Is het genotype van plant 3 te bepalen door zo’n kruising?

a)

Ja, door plant 3 te kruisen met plant 1.

b)

Ja, door plant 3 te kruisen met plant 2.

c)

Nee

17.

Sommige mensen zijn allergisch voor kattenhaar. Dat wil zeggen dat hun afweersysteem er heel sterk op reageert.

Mensen die allergisch zijn en toch een kat willen, kiezen soms een kat van een ras met weinig haar, bijvoorbeeld van het ras ‘Sphynx’. Katten van dit ras zijn homozygoot voor een bepaald recessief gen, waardoor ze bijna geen haar hebben.

Twee katten van het ras Sphynx worden met elkaar gekruist.

Hoe groot is de kans op nakomelingen met het hetzelfde uiterlijk als de ouders?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

75%

e)

100%

18.

Een zwangere vrouw heeft een mutatie in een cel van haar vagina. Kan deze mutatie overgebracht worden naar haar ongeboren kindje?

a)

Ja

b)

Nee

c)

Dat is uit deze informatie niet af te leiden

19.

Een zeeslak eet in de eerste twee weken van zijn leven veel algen. Algen zijn eencellige plantjes. De bladgroencellen uit de algen worden door de slak niet verteerd, maar opgenomen in cellen van de darmwand. Met die cellen kan de zeeslak zonne-energie opvangen om glucose te maken.

In celkernen van de zeeslak bevindt zich een gen dat nodig is voor het produceren van glucose. Dit gen is gelijk aan een gen van de algen die de slak in het begin van zijn leven at. Men vermoedt dat de zeeslak dit gen lang geleden heeft overgenomen van de algen en dat het sinds die tijd deel uitmaakt van zijn genotype.

In welke cellen bevindt het algen-gen zich als het deel uitmaakt van het genotype van de slak?

a)

Alleen in cellen van de darmwand.

b)

Alleen in lichaamscellen.

c)

Alleen in geslachtscellen.

d)

In lichaamscellen en in geslachtscellen.

20.

In de afbeelding staat een stamboom. De personen die met grijs aangegeven zijn, hebben een ziekte. De zwarte personen zijn gezond. De ziekte wordt veroorzaakt door één gen. Vrouw 7 is homozygoot en in verwachting van kind 11. De baby blijkt een meisje te zijn.

Hoe groot is de kans dat meisje 11 de ziekte heeft? Geef je antwoord in procenten.

(a)