wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

kennischeck regeling zintuigen,stevigheid en gedrag

Total questions: 22

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Schakelcellen zijn...

a)

Geleiden impulsen van de zintuigen naar centrale zenuwstelsel

b)

Geleiden impulsen binnen het centrale zenuwstelsel

c)

Geleiden impulsen van centrale zenuwstelsel naar de spieren

2.

Het cellichaam (met celkern) van de gevoelszenuwcellen liggen...

a)

IN het centrale zenuwstelsel

b)

VLAKBIJ het centrale zenuwstelsel

3.

De grijze stof ligt oa. in je ruggenmerg. Grijze stof bestaat uit...

a)

Cellichamen van schakelcellen en bewegingszenuwcellen

b)

Cellichamen van gevoelszenuwcellen en bewegingszenuwcellen

c)

Uitlopers van gevoelszenuwcellen en bewegingszenuwcellen

4.

3=

a)

Grote hersenen

b)

Kleine hersenen

c)

Hersenstam

d)

Ruggenmerg

5.

Bewegingszenuwcellen liggen...

a)

Aan de rugzijde

b)

Aan de buikzijde

c)

Centraal

6.
Impulsen vanaf een zintuig gaan via
a)
gevoelszenuwcel
b)
schakelcel
c)
bewegingszenuwcel
d)
hersenstam
7.
Waaraan zitten de oogspieren vast?
a)
hoornvlies
b)
harde oogvlies
c)
glasachtig lichaam
d)
straalvormig lichaam
8.

Dit is bescherming voor je oog

a)

Hoornvlies

b)

Lens

c)

Netvlies

d)

Glasachtig lichaam

9.

Op deze plek op je netvlies liggen veel zintuigcellen

a)

Blinde vlek

b)

Gele vlek

c)

Oogzenuw

d)

Harde oogvlies

10.
Welke kleur heeft het slakkenhuis in de afbeelding?
a)
groen
b)
roze
c)
grijs
d)
rood
11.
Nummer 7 is
a)
de oogzenuw
b)
het netvlies
c)
de blinde vlek
d)
het vaatvlies
12.
Voedingsstoffen en zuurstof naar het oog brengen hoort bij
a)
nummer 3
b)
nummer 6
c)
nummer 5
d)
nummer 8
13.
Elk zintuig is gevoelig voor
a)
dezelfde prikkel
b)
geen prikkel
c)
veel prikkels
d)
een eigen prikkel
14.

Gedragsketen

a)

De samenhangende onderdelen van gedrag

b)

Vaste volgorde van gedragselementen

c)

Aparte gedragseenheden

d)

Deze vorm van leren vindt plaats gedurende een gevoelige periode

15.

Sleutelprikkel

a)

Versterkte sleutelprikkel

b)

Essentiele prikkel waarop altijd hetzelfde gedrag volgt

c)

Prikkel die van buitenaf komt

d)

Prikkel die van binnenuit komt, zoals hormonen-, honger- en dorstgevoel

16.

Wat meten we met een protocol?

a)

de verschillende gedragingen van een dier

b)

hoeveel keer een gedrag voorkomt

c)

een aantal observaties

17.

Wat meten we met een ethogram?

a)

het goede/foute gedrag van een dier

b)

het aantal keren dat een dier gedrag laat zien

c)

de verschillende soorten gedrag van een dier

18.
Welk type beenverbinding is zeer beweeglijk?
a)
Kraakbeenverbinding
b)
Gewrichten
c)
Naadverbinding
d)
Vergroeiing
19.
Met welke type beenverbinding zijn de wervels met elkaar verbonden?
a)
Gewrichten
b)
Kraakbeen
c)
Scharniergewricht
20.

Sommige prikkels, roepen altijd hetzelfde gedrag op.

Dit heet een....

a)

Sleutelprikkel

b)

Supernormale prikkel

c)

Uitwendige prikkel

d)

Inwendige prikkel

21.

Dit is gedrag dat aan de paring vooraf gaat en uiteindelijk de kans op paren vergroot.

a)

Conflictgedrag

b)

Imponeergedrag

c)

Baltsgedrag

d)

Territoriumgedrag

22.
Welke stof zit vooral in kraakbeen?
a)
kalkzout
b)
lijmstof
c)
zoutzuur
d)
brandstof