wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema de Middellandse Zee

Total questions: 70

Worksheet time: 31mins

Name
Class
Date
1.

Welke van de onderstaande afbeeldingen hoort bij het tijdvak waar we nu mee bezig zijn..........

a)
b)
c)
d)
2.

Op welke van onderstaande kaartjes zie je Griekenland?

a)
b)
c)
d)
3.

Welke van onderstaande stellingen is JUIST?

a)

De Griekse beschaving is ouder dan de Romeinse beschaving

b)

De Romeinse beschaving is ouder dan de Griekse beschaving

c)

De Griekse en Romeinse beschaving zijn totaal verschillend

d)

De Griekse en Romeinse beschaving zijn even oud

4.

Griekenland bestond uit allemaal zogenaamde 'stadsstaten'. Wat is een andere naam voor stadsstaat?

a)

Polis

b)

Athene

c)

Paleis

d)

Kratus

5.

Wat waren de bekendste stadsstaten van Griekenland in de oudheid?

a)

Athene en Sparta

b)

Athene en Rhodos

c)

Sparta en Korinthe

d)

Rome en Rhodos

6.

Kies het juiste antwoord. Een democratie is..........

a)

een bestuursvorm waarbij één iemand regeert.

b)

een bestuursvorm waarbij een kleine groep mensen regeert.

c)

een heel moderne bestuursvorm.

d)

een bestuursvorm waarbij het volk regeert.

7.

Veel mensen vinden dat de Atheense democratie geen echte democratie genoemd mag worden. Dit komt doordat........

a)

nog steeds 1 persoon alle beslissingen nam.

b)

omdat niet iedereen mee mocht stemmen.

c)

omdat er jaarlijks iemand weggestemd mocht worden.

d)

omdat de raad van 500 teveel macht had.

8.

Het tijdvak waar we nu mee bezig zijn heet ook wel.....

a)

Prehistorie

b)

Gouden Eeuw

c)

Middeleeuwen

d)

Oudheid

9.

Van wanneer tot wanneer duurde het tijdvak waar we nu mee bezig zijn?

a)

tot 3000 v. christus

b)

van 3000 v. christus tot 500 na christus

c)

van 500 n. christus tot 1500 n. christus

d)

van 1500 tot 1600 na christus

10.

Wat was de reden dat het Oude Griekenland moeilijk als een eenheid te besturen was?

a)

Door de vele oorlogen met andere rijken in Europa

b)

Door de vele bergen en zee die in dit gebied liggen

c)

Doordat er meerdere koningen aan de macht waren

11.

Is deze bron over Griekse mythen uitgegeven in 2019 door J. Bajtlik een primaire of een secundaire bron uit de tijd van de Grieken en de Romeinen?

a)

Primaire bron

b)

Secundaire bron

12.

De bron die je hiernaast ziet gaat over de Grieken. Hij is......

a)

geschreven, primair

b)

ongeschreven,primair

c)

geschreven, secundair

d)

ongeschreven,secundair

13.

Welke van onderstaande voorbeelden past NIET bij het wetenschappelijk denken in deze tijd?

a)

De democratie werd door velen gezien als de beste bestuursvorm.

b)

Door het gebruiken van je zintuigen kun je veel verklaren.

c)

De verklaringen voor alles werd gevonden bij de Goden.

d)

Door vragen te stellen, komt de waarheid boven water.

14.

Wat was de reden dat het Oude Griekenland moeilijk als een eenheid te besturen was?

a)

Door de vele oorlogen met andere rijken in Europa

b)

Door de vele bergen en zee die in dit gebied liggen

c)

Doordat er meerdere koningen aan de macht waren

15.

Veel mensen vinden dat de Atheense democratie geen echte democratie genoemd mag worden. Dit komt doordat........

a)

nog steeds 1 persoon alle beslissingen nam.

b)

omdat niet iedereen mee mocht stemmen.

c)

omdat er jaarlijks iemand weggestemd mocht worden.

d)

omdat de raad van 500 teveel macht had.

16.

Ca. 750 v.C.: Waarom migreerden sommige Grieken naar andere gebieden?

a)

Er was te weinig voedsel.

b)

Ze waren het mediterrane klimaat beu.

c)

Ze wouden eens iets anders eten dan druiven en olijven.

17.

Bij een monarchie

a)

is 1 persoon de baas. Zijn positie is erfelijk.

b)

zijn meerdere personen samen de baas. Zij komen uit de rijkste families.

c)

is 1 persoon de baas. Hij heeft met geweld de macht gegrepen.

d)

is het hele volk de baas. Zij kiezen de bestuurders.

18.

Bij een aristocratie

a)

is 1 persoon de baas. Zijn positie is erfelijk.

b)

is het hele volk de baas. Zij kiezen de bestuurders.

c)

is 1 persoon de baas. Hij heeft met geweld de macht gegrepen.

d)

zijn meerdere personen de baas. Zij komen uit de rijkste families.

19.

Bij een tirannie

a)

is het hele volk de baas. Zij kiezen de bestuurders.

b)

is 1 persoon de baas. Zijn positie is erfelijk.

c)

is 1 persoon de baas. Hij heeft met geweld de macht gegrepen.

d)

zijn meerdere personen de baas. Zij komen uit de rijkste families.

20.

Welke vorm is eigenlijk dubbel omschreven

a)

Divergentie

b)

Subductie

c)

Transform

d)

Convergentie

21.

welke plaatbeweging wordt hier afgebeeld?

a)

Divergentie

b)

Convergentie

c)

Transform

d)

Subductie

22.

welke plaatbeweging wordt hier afgebeeld?

a)

Divergentie

b)

Convergentie

c)

Transform

d)

Subductie

23.

welke plaatbeweging wordt hier afgebeeld?

a)

Divergentie

b)

Convergentie

c)

Transform

d)

Subductie

24.

welke plaatbeweging wordt hier afgebeeld?

a)

Divergentie

b)

Convergentie

c)

Transform

d)

Subductie

25.

Bij welke vorm van vulkanisme hoort deze foto?

a)

Schildvulkanisme

b)

Sratovulkanisme

c)

Caldera

26.

Bij welke vorm van vulkanisme hoort deze foto?

a)

Schildvulkanisme

b)

Sratovulkanisme

c)

Caldera

27.

Bij welke vorm van vulkanisme hoort deze foto?

a)

Schildvulkanisme

b)

Sratovulkanisme

c)

Caldera

28.

welke plaatbeweging wordt hier afgebeeld?

a)

Divergentie

b)

Convergentie

c)

Transform

d)

Subductie

29.

Dit is een.....

a)

Slapende vulkaan

b)

Stratovulkaan

c)

Schildvulkaan

d)

Caldera

30.

Dit is een.....

a)

Slapende vulkaan

b)

Stratovulkaan

c)

Schildvulkaan

d)

Caldera

31.

Uit welke delen is de aarde opgebouwd?

a)

Kern, aardkorst, convectiestromingen

b)

Kern, magma, aardkorst

c)

Kern, aardmantel, aardkorst

d)

Aardkorst, mantel, gebergten

32.

Juist of fout? Onder oceanen is de aardkost het dunst

a)

juist

b)

fout

33.

Welk begrip hoort bij nummer 3?

a)

aardmantel

b)

aardkern

c)

convectiestromen

d)

aardkorst

34.

Aan de grens van een aardplaat komen de minste aardbevingen voor.

a)

Juist

b)

Onjuist

35.
De temperatuur in de aardkern is hoger dan in de aardkorst
a)
Juist
b)
Onjuist
36.

Als er een aardbeving plaats vindt noem je de plek in de aarde waar dit gebeurd een hypocentrum

a)

Juist

b)

onjuist

37.

Welk van de volgende begrippen hoort niet in dit rijtje thuis?

a)

Aardmantel

b)

Aarddeken

c)

Aardkern

d)

Aardkorst

38.

Ooit zaten alle continenten aan elkaar vast. Dit supercontinent noemen we .....

a)

Pangea

b)

Gaia

c)

Kraton

d)

Fossiel

39.

Wat is een ander woord voor convergent?

a)

Naar elkaar

b)

Uit elkaar

c)

Langs elkaar

40.

De plaatbeweging tussen Euraziatisch en Filipijnse plaat is divergent.

a)

Juist

b)

Onjuist

41.

Welke korst is het dunst?

a)

Oceanische

b)

Caldera

c)

Continentale

42.

Bekijk de afbeelding. Welke plaat is de belangrijkste bron van alle bewegingen die je hier ziet?

a)

Afrikaanse

b)

Euraziatische

c)

Turkse

d)

Iraanse

43.

Bij een divergente plaatbeweging, bewegen de platen van elkaar af

a)

Juist

b)

onjuist

44.
een dictator in Rome kun je wel/niet vergelijken met een Griekse tiran
a)
wel, beiden gewelddadig
b)
wel, beiden deelden de macht
c)
niet, de een is gewelddadiger dan de ander
d)
wel, het zijn allebei alleenheersers
45.

Met welk volk sluiten de Romeinen geen bondgenootschap?

a)

Hunnen

b)

Galliers

c)

Germanen

46.

Welke begrip past het beste bij de onderstaande omschrijving?


Land dat geen koning of keizer heeft

a)

Monarchie

b)

Republiek

c)

Democratie

d)

Tirannie

47.

Welke begrip past het beste bij de onderstaande omschrijving?


Heerser over een gebied die opgevolgd wordt door een familielid

a)

Tiran

b)

Aristocraat

c)

Koning

d)

Democraat

48.

Wie spelen de hoofdrol in de legende over het ontstaan van Rome?

a)

Romulus en Remus

b)

Romulas en Remes

c)

Romilus en Rames

d)

Romala en Resus

49.

Wanneer wordt Rome een republiek?

a)

304 v. chr.

b)

509 v. chr.

c)

607 v. chr.

d)

44 v. chr.

50.

De Romeinse Republiek is een ...

a)

Koninkrijk

b)

Keizerrijk

c)

Aristocratie

d)

Democratie

51.

Wat is geen reden voor het succes van de Romeinen?

a)

Bondgenootschappen

b)

Goede infrastructuur

c)

Gedisciplineerd leger

d)

Overgenomen kennis van de Grieken

52.

Door wie wordt Caesar vermoord?

a)

Burgers

b)

Zijn eigen soldaten

c)

Senatoren

d)

Vijandige consul

53.

Wie volgt Caesar op?

a)

Octavianus

b)

Pompeius

c)

Alesia

d)

Tarquinius

54.

In welk jaar wordt het Romeinse Rijk een keizerrijk?

a)

44 v. chr.

b)

27 v. chr.

c)

in het jaar 0

d)

35 na chr.

55.

Wat betekent 'Augustus'?

a)

De machtigste

b)

De mooiste

c)

De verhevene

d)

De wreedste

56.

Hoe noemen we de periode van rust en welvaart in het Romeinse Rijk in de eerste twee eeuwen na Christus

a)

Pax Romana

b)

Pax Galia

c)

Gallische vrede

d)

Vrede van Munster

57.

Waar gaat de afbeelding over?

a)

Uitbreiding van het Romeinse Rijk

b)

Volksverhuizingen

c)

Invasies van de Romeinen

d)

Uitbreiding van het christendom

58.

Hoe noemen we de grens van het Romeinse Rijk tussen ca. 57 v. en 400 n. Chr.

a)

Grens

b)

Scheiding

c)

Lames

d)

Limes

59.

In welk jaar werd het Romeinse Rijk gesplitst?

a)

102 na chr.

b)

344 na chr.

c)

395 na chr.

d)

543 na chr.

60.

De verschillende stammen ten noorden van de grens van het Romeinse Rijk worden door de Romeinen ...... genoemd

a)

Galliers

b)

Barbaren

c)

Germanen

d)

Saksen

61.

Welke jaartallen passen bij het tijdvak van de Grieken en Romeinen?

a)

2000 v. chr. tot 200 na chr.

b)

2000 v. chr. tot 800 v. chr.

c)

3000 v. chr. tot 500 na chr.

d)

400 v. chr. tot 800 na chr.

62.

Welke afbeelding past bij de tijd van de Grieken en Romeinen?

a)
b)
c)
d)
63.

Wat is de betekenis van het woord 'imperium'?

a)

Eiland

b)

Koninkrijk

c)

Land

d)

Rijk

64.

Waarom legt Octavianus in 27 voor Christus al zijn bestuurstaken neer?

a)

Hij gaat met pensioen

b)

Hij is ziek en heeft niet lang meer te leven.

c)

Hij wil de republiek herstellen

d)

Hij wordt vermoord door een aantal leden van de senaat.

65.

Wie zie je op de afbeelding?

a)

Tarquinius

b)

Pompeius

c)

Caesar

d)

Augustus

66.

In welk jaar houdt het West-Romeinse Rijk op te bestaan?

a)

212 v. chr.

b)

145 na chr.

c)

245 na chr.

d)

476 na chr.

67.

Het Oost-Romeinse Rijk blijft langer bestaan dan het West-Romeinse Rijk

a)

Juist

b)

Onjuist

68.

De hoofdstad van het Oost-Romeinse Rijk is ....

a)

Rome

b)

Constantinopel

c)

Luttenberg

d)

Amsterdam

69.

Wat zie je op de afbeelding?

a)

De Atheense democratie

b)

De Romeinse Senaat

c)

De volksvergadering

d)

Een amfitheater

70.

Ik beheers de stof van dit thema

a)
b)
c)
d)