Worksheetsvoorzetsels, voornaamwoorden en voegwoorden
Total questions: 12
Worksheet time: 8mins
Zoek het voorzetsel/de voorzetsels in de onderstaande zin.
Hij speelde de eerste wedstrijd in aanwezigheid van zijn hele familie.
eerste, in, van
eerste, hele
in, van
eerste, in, van, hele
Zoek het voorzetsel/de voorzetsels in de onderstaande zin.
Ik ga met de trein naar mijn werk.
met, naar
naar
met, naar, mijn
met, mijn
Zoek het voorzetsel/de voorzetsels in de onderstaande zin.
De inbreker stond achter de deur.
achter
deze zin bevat geen voorzetsel
de, de
stond
Zoek het voorzetsel/de voorzetsels in de onderstaande zin.
De meisjes kijken elkaar aan.
de
elkaar
aan
deze zin bevat geen voorzetsel
Zoek het voornaamwoord/de voornaamwoorden in de onderstaande zin.
Ik heb je gemist.
ik
je
ik, je
ik, heb, je
Zoek het voornaamwoord/de voornaamwoorden in de onderstaande zin.
Jenna vlecht Demi haar haar in.
haar, haar
haar
haar, haar, in
haar, in
Zoek het voornaamwoord/de voornaamwoorden in de onderstaande zin.
Heb je je schoolspullen in je tas gestopt?
je, je
je
je, je, je
je, in
Zoek het voornaamwoord/de voornaamwoorden in de onderstaande zin.
Wij hebben ons goed voorbereid op de toets.
wij
wij, de
op, de
wij, ons
Zoek het voegwoord/de voegwoorden in de onderstaande zin.
We doen deze les, omdat je er wat van leert.
(a)
Zoek het voegwoord/de voegwoorden in de onderstaande zin.
Zodra het startschot klinkt, starten de schaatsers.
(a)
Zoek het voegwoord/de voegwoorden in de onderstaande zin.
Mike voelt zich niet lekker en blijft liever thuis.
(a)
Zoek het voegwoord/de voegwoorden in de onderstaande zin.
Doordat de computer stuk was, is ons werkstuk niet af.
(a)
