wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

5V Stofwisseling Bio §3.1 t/m 3.4

Total questions: 22

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Om het vuur van het leven brandend te houden, is energie nodig. Planten nemen een molecuul op en maken daar een organische verbinding van. Dieren verkrijgen die energie door deze organische verbinding op te nemen uit de planten en die af te breken. Een gedeelte van de energie komt vrij als warmte en een deel wordt opgeslagen in een molecuul.

Hier staan drie moleculen die een rol spelen in bovenstaande tekst. Zet de moleculen in de volgorde waarin ze in de tekst voorkomen.

a)

Glucose - ATP - Koolstofdioxide

b)

Glucose - Koolstofdioxide - ATP

c)

Koolstofdioxide - Glucose - ATP

d)

Koolstofdioxide - ATP - Glucose

2.

ATP is een energierijke verbinding in de cel.

Kies de juiste woorden.

Veel ATP kan worden gevormd als een cel assimileert/dissimileert. De energie voor de vorming van ATP komt vrij uit glucose/zuurstof.

(a)  

3.

Waarop berust de werking van enzymen?

De werking van enzymen berust op het ... (1).... van de hoeveelheid activeringsenergie voor een reactie, waardoor ...(2)...  substraatmoleculen worden omgezet.

a)

1 = verlagen, 2 = minder

b)

1 = verlagen, 2 = meer

c)

1 = verhogen, 2 = minder

d)

1 = verhogen, 2 = meer

4.

Welke bewering over enzymen is juist?

a)

De activiteit van een enzymoplossing is onafhankelijk van de concentratie van het enzym

b)

Een enzymmolecuul is maar één keer actief en is dan kapot

c)

Enzymen leveren de activeringsenergie voor het op gang brengen van een reactie

d)

Enzymmoleculen verliezen hun activiteit als hun ruimtelijke molecuulstructuur is verstoord.

5.

Jools kent nog geen concrete namen van enzymen, maar ze weet al wel hoe de naamgeving is geregeld.

Welke stoffen herkent ze als enzymen?

(meerdere antwoorden goed)

a)

Amylase

b)

Lipase

c)

Pepsine

d)

Trypsine

6.

De werking van enzymen berust op het verlagen van de ....1...., waardoor er meer ...2...-moleculen worden omgezet.

(a)  

7.

Welke naam is de naam van een enzym?

a)

hydrolase

b)

hydrolose

c)

hydrolyse

8.

In de industrie wordt een product gebruikt dat zetmeel afbreekt. Iemand onderzoekt hoe dit product bij verschillende temperaturen inwerkt op een zetmeeloplossing. Dat doet hij door te meten hoelang de omzetting van zetmeel blijft voortduren. In de afbeelding is deze tijd afgezet tegen de temperatuur.

Wat is de juiste conclusie op grond van de resultaten in de grafiek?

a)

Het gaat hier om een enzym dat bij 25C enigszins wordt beschadigd

b)

Het gaat hier om een enzym dat een breed optimumgebied voor de temperatuur heeft

c)

Het gaat hier om een mengsel van twee enzymen met een verschillend temperatuuroptimum

d)

Het gaat hier om een minimumkromme van de enzymwerking onder invloed van de temperatuur

9.

Bij allerlei processen in het lichaam van de mens spelen enzymen een rol.

Kies de juiste woorden.

Deze enzymen zijn binnen/buiten de cellen gevormd. Bij de vorming van deze enzymen wordt wel/geen energie gebruikt

a)

buiten/geen

b)

buiten/wel

c)

binnen/geen

d)

binnen/wel

10.

In de lever van zoogdieren komt een enzym voor dat uit waterstofperoxide zuurstof kan vrijmaken. In een reageerbuis (1) wordt een stukje lever bij een oplossing van waterstofperoxide gedaan. Er wordt zuurstof vrijgemaakt door het enzym uit de lever. Na enige tijd wordt er geen zuurstof meer vrijgemaakt. De vloeistof wordt overgeschonken in een tweede reageerbuis (2). In reageerbuis 2 met de afgeschonken vloeistof wordt een vers stukje lever gedaan. Er wordt geen zuurstof vrijgemaakt. In reageerbuis 1 met de reeds gebruikte lever wordt verse waterstofperoxide-oplossing gedaan. Er komt weer zuurstof vrij.

Kies de juiste woorden

De reactie in reageerbuis 1 stopte wel/niet als gevolg van gebrek aan enzym.Het uitblijven van een reactie in reageerbuis 2 is wel/niet het gevolg van gebrek aan enzym

a)

wel , wel

b)

wel, niet

c)

niet, wel

d)

niet, niet

11.

In de afbeelding is het verband aangegeven tussen de zetmeelvertering en de temperatuur. De vertering geschiedt onder invloed van een zetmeelverterend enzym van de mens. De doorgetrokken lijn geeft de tijd aan die nodig is om bij temperaturen tussen 10 °C en 35 °C een bepaalde hoeveelheid zetmeel geheel te verteren. Bij alle bepalingen is uitgegaan van gelijke hoeveelheden enzym en gelijke hoeveelheden zetmeel die op de te onderzoeken temperatuur zijn gebracht.

Welke stippellijn geeft het meest waarschijnlijke verloop van de vertering tussen 35 °C en 60 °C aan?

a)

stippellijn 1

b)

stippellijn 2

c)

stippellijn 3

d)

stippellijn 4

12.

In een fles worden water, een groene waterplant en een vis gedaan. Aan het water is een kleurstof toegevoegd waarvan bekend is dat deze het water blauw kleurt als het arm is aan koolstofdioxide. Na vijf uur is het water nog steeds blauw.

Wat kun je concluderen over de situatie in die vijf uur?

De fles stond in het donker en de vis was niet erg actief.

De fles stond in het donker en de plant produceerde koolstofdioxide.

De fles stond in het licht en de vis was niet erg actief.

De fles stond in het licht en de plant produceerde koolstofdioxide.

a)

De fles stond in het donker en de vis was niet erg actief

b)

De fles stond in het donker en de plant produceerde koolstofdioxide

c)

De fles stond in het licht en de vis was niet erg actief

d)

De fles stond in het licht en de plant produceerde koolstofdioxide

13.

Tijdens de lichtreactie van de fotosynthese wordt zuurstof (O2) geproduceerd.

Wat is de bron van die zuurstof?

a)

glucose

b)

koolstofdioxide

c)

nitraat

d)

water

14.

In een glucosemolecuul in een wortelcel van een plant met bladgroen bevindt zich een zuurstofatoom.

Dit zuurstofatoom is afkomstig van...

a)

Water uit de grond

b)

Zuurstof uit de lucht

c)

Koolstofdioxide uit de lucht

d)

Komt vrij bij verbranding

15.

Vrijwel al het leven op aarde verkrijgt zijn energie direct of indirect via het proces van fotosynthese.

Voor welke organismen geldt dit niet?

Voor bacteriën/planten die hun energie direct uit water/zwavelverbindingen halen.

a)

bacterien , water

b)

bateriën , zwavelverbindingen

c)

planten , water

d)

planten , zwavelverbindingen

16.

Een reclamefotograaf laat het fotomodel een blad van een plant voor het gezicht houden. Hij weet namelijk dat bladeren zuurstof maken. Ook afgeplukte bladeren kunnen dat nog een tijdje.

Wanneer maakt dit blad zuurstof?

a)

Als het model diep inademt

b)

Als het model flink beweegt

c)

Als het model in het licht staat

d)

Als het model water over het blad giet

17.

Welke stof wordt tijdens de donkerreactie door de plant omgezet in een andere stof?

r

a)

glucose

b)

koolstofdioxide

c)

nitraat

d)

water

18.

Welk proces wordt of welke processen worden tot de assimilatie gerekend? Meerdere antwoorden goed

a)

Aminozuren worden omgezet in eiwitten.

b)

Eiwitten worden omgezet in aminozuren.

c)

Glucose wordt omgezet in glycogeen.

d)

Glycerol en vetzuren worden omgezet in vetten.

e)

Zetmeel wordt omgezet in glucose.

19.

Tussen twee aminozuren kan een peptidebinding worden gevormd.

Kies het juiste woord.

Bij de vorming van een peptidebinding komt (a)     vrij.

20.

Op de bodem van de Stille Oceaan in zogenoemde black smokers vinden vulkaanuitbarstingen plaats. Daarbij komen anorganische stoffen in het water. Op deze diepte dringt geen licht door. In sommige organismen die hier leven, vindt koolstofassimilatie plaats met behulp van de energie die vrijkomt bij de omzetting van de vulkanische verbindingen. In de diepzee vindt ook voortgezette assimilatie plaats op basis van de bij de koolstofassimilatie gevormde stoffen. Bij de vulkaanuitbarstingen komen stikstof- en zwavelverbindingen vrij, waardoor onder andere vier typen verbindingen kunnen ontstaan: eiwitten, koolhydraten, nucleïnezuren en vetten.

Welke organismen in de diepzee kunnen deze vier typen verbindingen geheel zelfstandig maken vanuit glucose?

a)

bacterien

b)

kokerwormen

c)

slakken

d)

zeeanemomen

21.

In een experiment wordt een proefdier ingespoten met radioactieve glucosemoleculen. Deze moleculen worden in het bloed door het hele lichaam van het proefdier verspreid. Na verloop van tijd worden stoffen die radioactief zijn in het lichaam van het proefdier gevormd.

Kunnen de volgende stoffen in het lichaam van het proefdier radioactief zijn?

Eiwit ja/nee Koolhydraat ja/nee Vet ja/nee

a)

Alleen Eiwit

b)

Alleen Koolhydraat

c)

Eiwit en vet

d)

Koolhydraat en eiwit

e)

alledrie

22.

Kies het juiste woord.

De binding tussen twee aminozuren kan worden verbroken door  ..... toe te voegen.

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide

c)

water