Worksheetsfrans studeren pg 191-193
Total questions: 64
Worksheet time: 1hrs 4mins
de engel
(a)
het kantoor
(a)
de zetel
(a)
de doos
(a)
de collega
(a)
de verhuizer
(a)
het bed
(a)
het meubel
(a)
de spiegel
(a)
de muur
(a)
de poster
(a)
de wekker
(a)
het tapijt
(a)
de sfeer
(a)
de slaapkamer
(a)
het ding
(a)
het rek
(a)
het raam
(a)
de kleerkast
(a)
de brief
(a)
de pantoffel
(a)
de pauze
(a)
de periode
(a)
de plaats
(a)
de week
(a)
het nachttafeltje
(a)
de tv
(a)
het leven
(a)
zenuwachtig
(a)
zwaar
(a)
georganiseerd
(a)
klaar
(a)
bijzonder
(a)
eerst
(a)
vervolgens/dan
(a)
tegenover
(a)
vervolgens/nadien
(a)
alles
(a)
naar boven brengen
(a)
vullen
(a)
naast
(a)
rechts van
(a)
links van
(a)
na (tijd)
(a)
voor (tijd)
(a)
laten we beginnen met
(a)
in
(a)
achter (plaats)
(a)
voor (plaats)
(a)
slapen als een roos
(a)
tegenover
(a)
tussen
(a)
op de juiste plaats staan
(a)
ik ben klaar voor
(a)
ik ga goed slapen
(a)
daar, juist voor
(a)
oh nee; helemaal niet
(a)
wat een sfeer
(a)
onder
(a)
op
(a)
alles is bijna in orde
(a)
help je ons dragen
(a)
daar zeg je wat
(a)
brengen jullie de dozen naar boven
(a)
